ECLI:NL:CRVB:2010:BM5970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid inhouding Zorgverzekeringswet-bijdrage op AOW-pensioen
Appellant, geboren in 1930, ontvangt een Deens pensioen en een AOW-pensioen. Voor de invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) op 1 januari 2006 was appellant niet verplicht verzekerd in Nederland, maar had hij op grond van Europese regelgeving recht op zorgverstrekking ten laste van Denemarken. Het College voor zorgverzekeringen (Cvz) had in 2004 vastgesteld dat appellant niet verzekerd was voor de AWBZ. Met de invoering van de Zvw werd iedere ingezetene van Nederland verplicht verzekerd en moest een inkomensafhankelijke bijdrage worden betaald.
Vanaf 1 januari 2006 hield de Sociale verzekeringsbank (Svb) een bijdrage Zvw in op het AOW-pensioen van appellant. Appellant maakte bezwaar tegen deze inhouding, maar dit werd door de Svb ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat appellant vanaf die datum verplicht verzekerd was en dus de bijdrage verschuldigd was.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn bezwaren niet meer tegen de inhouding van de Zvw-bijdrage. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank. De Raad benadrukte dat de premie voor de AWBZ en het geschil met de Belastingdienst over navorderingen niet aan de orde waren in dit geding. Wel erkende de Raad dat de plotselinge wetswijziging per 1 januari 2006 voor appellant tot onduidelijkheden en financiële gevolgen leidde.
De Raad zag geen aanleiding om appellant in de proceskosten te veroordelen en verklaarde de aangevallen uitspraak ongewijzigd van kracht.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de inhouding van de Zorgverzekeringswet-bijdrage op het AOW-pensioen vanaf 1 januari 2006 rechtmatig is.