ECLI:NL:CRVB:2010:BM5959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking IOAW-uitkering wegens niet-melden autohandel
Appellant en zijn echtgenote ontvingen sinds 1992 een IOAW-uitkering. In 2006 werd deze uitkering ingetrokken vanwege een toename van de WAO-uitkering. Uit onderzoek bij de RDW bleek dat appellant tussen oktober 1997 en juni 2005 betrokken was bij autohandel, waarbij 50 auto's op zijn naam stonden en 48 transacties plaatsvonden.
Het College van burgemeester en wethouders van Eindhoven trok de IOAW-uitkering in en vorderde terugbetaling van de onterecht ontvangen bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door de autohandel niet te melden, waardoor het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld.
De Raad oordeelde dat de handel in auto's niet kon worden gezien als een vriendendienst en dat de stellingen van appellant over het gebruik van auto's voor consumptief gebruik of verzekeringstechnische redenen onvoldoende waren onderbouwd. De intrekking en terugvordering van de uitkering werden daarom bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de IOAW-uitkering wegens niet-melden van autohandel wordt bevestigd.