ECLI:NL:CRVB:2010:BM5954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. de Mooij
- B.W.N. de Waard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderbijslagaanvraag wegens ontbreken verzekering na remigratie
Appellant, die van 1972 tot 1989 in Nederland heeft gewerkt en in 1989 wegens ziekte remigreerde naar Marokko, vroeg in 2006 kinderbijslag aan voor zijn kinderen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellant sinds 1 januari 2000 niet langer verzekerd was voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanwege zijn verblijf buiten Nederland en het ontbreken van een overgangsrecht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn recht op kinderbijslag had veiliggesteld voor het vierde kwartaal van 1999. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat appellant met terugwerkende kracht tot 16 april 1990 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving en daardoor tot 31 december 1999 verplicht verzekerd was. Echter, na 1 januari 2000 verviel artikel 26 van Pro het KB 746, en appellant kon geen aanspraak maken op voortgezette verzekering op grond van het overgangsrecht in artikel 27 KB Pro 746, omdat hij niet had aangetoond recht te hebben op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1999.
De Raad benadrukte dat het recht op kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan één jaar voorafgaand aan de aanvraag, tenzij sprake is van een 'veiligstelling'. Omdat appellant pas in 2006 een aanvraag deed en geen bewijs leverde van een dergelijke veiligstelling, kon hij geen kinderbijslag worden toegekend over het vierde kwartaal van 1999 of daarvoor.
Daarom bevestigde de Raad de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Tevens werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de kinderbijslagaanvraag bevestigd.