ECLI:NL:CRVB:2010:BM5842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, een buitendienstmedewerker assurantiën, viel op 20 oktober 2005 uit wegens ziekte en vroeg een WIA-uitkering aan. De verzekeringsarts stelde vast dat appellant overbelasting, depressieve klachten en vitale vermoeidheid had, en stelde een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op. De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt was voor zijn eigen werk, maar wel voor vijf andere functies, waardoor de arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% werd vastgesteld. Op 17 september 2007 werd de WIA-uitkering geweigerd.
Appellant voerde in bezwaar aan dat zijn beperkingen groter waren, mede door concentratieproblemen en groepstherapie. Na aanvullend onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd de FML licht aangepast, maar bleef de arbeidsongeschiktheid onder 35%. Het bezwaar werd op 1 maart 2008 ongegrond verklaard. In beroep herhaalde appellant zijn klachten en leverde extra informatie van GGZ Friesland aan. Het Uwv bracht aanvullende rapporten in, waarin werd uitgelegd waarom geen sprake was van een duurbeperking.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant niet waren onderschat. De Raad vond de motivatie van het Uwv over de geschiktheid van de functies voldoende en bevestigde de weigering van de WIA-uitkering. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.