ECLI:NL:CRVB:2010:BM4110
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering Wajong-uitkering wegens ondeugdelijke medische grondslag
Appellante had een Wajong-uitkering die in 2005 werd ingetrokken. In 2007 weigerde het UWV opnieuw een uitkering toe te kennen per 3 februari 2007, gebaseerd op een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 februari 2007. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond, omdat het besluit volgens haar op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag rustte.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met haar medische situatie, waaronder haar gezichtsvermogen, bloedarmoede, borderline-persoonlijkheidstrekken en het Proteussyndroom. Tevens betwistte zij de geschiktheid van de functies waarop de beoordeling was gebaseerd. Het UWV gaf in hoger beroep aan dat de beperkingen op het onderdeel zien in de FML niet juist waren weergegeven.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het besluit op een deugdelijke medische grondslag rustte en vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank. Na aanpassing van de FML op basis van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts concludeerde de Raad dat appellante de voorgestelde functies kan vervullen en dat het verlies aan verdienvermogen minder dan 25% bedraagt. De weigering van de Wajong-uitkering is daarmee alsnog terecht.
De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven geheel in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de Wajong-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.