ECLI:NL:CRVB:2010:BM3924
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en beoordeling functionele mogelijkheden en opleidingsniveau
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering te herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Appellante stelde dat haar beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onjuist waren vastgesteld en dat haar whiplashklachten waren verergerd. Tevens voerde zij aan dat informatie van haar huisarts en behandelaars onvoldoende was meegewogen. Daarnaast betwistte zij de geschiktheid van de functies waarop de beoordeling was gebaseerd en het juiste opleidingsniveau.
De Raad hechtte doorslaggevende waarde aan de rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en weloverwogen was. De FML hield voldoende rekening met alle beperkingen, inclusief longklachten. Ook de arbeidskundige beoordeling dat functies met VMBO-niveau passend zijn, werd onderschreven. De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand.
Tot slot veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante voor zowel beroep als hoger beroep, inclusief vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.