ECLI:NL:CRVB:2010:BM3610
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering na werkzaamheden in onderwijs
Appellant ontving een WW-uitkering en verrichtte in 2003 werkzaamheden in het onderwijs. Het UWV herzag daarop de omvang van zijn WW-recht en vorderde een voorschot en onverschuldigde uitkering van €4.740,55 terug. Appellant maakte bezwaar, dat bij besluit van 2 juni 2006 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Leeuwarden, die het teruggevorderde bedrag corrigeerde naar €4.701,97 en het bestreden besluit vernietigde.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep betoogde appellant dat de herziening onjuist was en dat de door hem gewerkte uren anders hadden moeten doorwerken in zijn WW-recht. De Raad oordeelde dat appellant de besluiten die zijn aanspraken op WW-uitkering vaststelden niet had aangevochten, waardoor deze rechtsgeldig zijn. Ook stelde appellant niet dat de berekening van de rechtbank onjuist was. De Raad onderschreef het standpunt dat de minister geen partij is in deze procedure.
De Raad bevestigde dat het UWV bevoegd is om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen en dat appellant de administratieve handelingen moet verrichten om verrekening met de fiscus mogelijk te maken. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep van appellant werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.