ECLI:NL:CRVB:2010:BM3608
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over terugvordering WW-uitkering en bevestiging bestreden besluit
Betrokkene ontving een WW-uitkering van 4 augustus 2003 tot en met 5 oktober 2004. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vorderde een deel van deze uitkering terug vanwege inkomsten uit arbeid, wat leidde tot een terugvorderingsbesluit van 25 oktober 2006 en een bestreden besluit van 23 juli 2007 met een terugvorderingsbedrag van €1.878,67 bruto.
De rechtbank Haarlem oordeelde dat het terugvorderingsbedrag onvoldoende gemotiveerd was, met name de brutering van het netto bedrag en de opname van de bovenwettelijke uitkering, en verklaarde het beroep van betrokkene deels gegrond. Het Uwv ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelde vast dat de terugvordering zelf niet in geschil was, maar de hoogte en berekening wel. De Raad oordeelde dat de brutering correct en voldoende toegelicht was, dat de bovenwettelijke uitkering niet in het terugvorderingsbedrag was begrepen, en dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd was. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Tot slot wees de Raad een proceskostenveroordeling aan het Uwv af. De beslissing werd uitgesproken door rechter H.G. Rottier op 6 mei 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond waarbij het bestreden terugvorderingsbesluit wordt bevestigd.