ECLI:NL:CRVB:2010:BM2951

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5743 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengelduitkering na herstelvermogen telecomengineer niet onzorgvuldig vastgesteld

Appellant was laatstelijk werkzaam als telecomengineer en meldde zich ziek met stemmings- en rugklachten. Het UWV beëindigde zijn ziekengelduitkering per 5 juli 2007 op basis van een medische beoordeling dat hij zijn eerder in het kader van de WAO geduide functies kon vervullen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV onterecht als maatstaf arbeid de functies uit de WAO-beoordeling hanteerde in plaats van de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid, namelijk telecomengineer. Hierdoor ontbrak een zorgvuldige voorbereiding en motivering van het besluit.

Desondanks handhaaft de Raad de rechtsgevolgen van het besluit omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en appellant volgens de verzekeringsartsen in staat is zijn oude werk te verrichten. De Raad wijst het beroep van appellant af dat protocollen voor WAO-beoordelingen ook bij ZW van toepassing zijn en acht de medische verschillen niet doorslaggevend.

De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van ziekengeld wordt vernietigd wegens onjuiste maatstaf arbeid, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat appellant medisch geschikt is voor zijn oude werk.

Uitspraak

08/5743 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 augustus 2008, 07/9496 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord, waarbij rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers van 30 oktober 2009 en van bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn van 1 december 2009 zijn overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door I.T. Martens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als telecomengineer voor 40 uur per week via een uitzendbureau. Hij heeft zich op 18 juli 2006, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziek gemeld met toegenomen stemmingsklachten en rugklachten. Appellant is nadien een aantal keren gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts. Op het laatste spreekuur van 29 juni 2007 heeft de verzekeringsarts R.N. Ladi, na eigen onderzoek en met verkregen informatie van de behandelend sector, appellant per 5 juli 2007 geschikt geacht voor de eerder in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geduide functies. Op basis van deze medische beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 29 juni 2007 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 5 juli 2007 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).
1.2. Bij besluit van 7 november 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juni 2007, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Van Duijn van 15 augustus 2007 en
6 november 2007, ongegrond verklaard. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en met verkregen informatie van de behandelend psycholoog en neuroloog geconcludeerd dat de medische onderbouwing van het primaire besluit door de verzekeringsarts geheel kan worden gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld geen aanleiding te zien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en heeft zij voorts overwogen dat de verzekeringsartsen voldoende hebben gemotiveerd dat appellant met inachtneming van zijn beperkingen de eerder in het kader van de WAO geduide functies kan vervullen. Volgens de rechtbank heeft het Uwv appellant dan ook terecht met ingang van 5 juli 2007 weer in staat geacht zijn arbeid te verrichten en is het recht op ziekengeld per die datum terecht beëindigd.
3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de gronden die hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat zijn beperkingen tot het verrichten van arbeid niet juist zijn vastgesteld en dat hij daarom niet in staat is tot het verrichten van de geduide functies.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO.
4.2. Uit hetgeen onder 1.1 is overwogen blijkt dat het Uwv in het onderhavige geding als ”zijn arbeid” de functies heeft aangemerkt, die aan appellant zijn voorgehouden in het kader van een eerdere WAO-beoordeling. Uit de gedingstukken blijkt evenwel dat appellant laatstelijk werkzaam is geweest als telecomengineer via een uitzendbureau en dat hij na het einde van dat dienstverband daaraan het recht op WW-uitkering ontleende. Derhalve dient de laatstgenoemde functie als maatstaf arbeid voor appellant te worden aangemerkt. Nu het Uwv van een onjuiste maatstaf arbeid is uitgegaan, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet op een zorgvuldige wijze is voorbereid en dientengevolge een draagkrachtige motivering ontbeert. Hieruit volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten onrechte door de rechtbank in stand is gelaten. De aangevallen uitspraak komt dus voor vernietiging in aanmerking. Ook het bestreden besluit zal worden vernietigd.
4.3. De Raad ziet evenwel aanleiding om te beoordelen of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.
4.4. De door appellant aangevoerde grond dat door de (bezwaar)verzekeringsartsen niet is gehandeld overeenkomstig het verzekeringsgeneeskundige protocol “overspanning en depressie” en het protocol “angststoornissen” kan niet slagen. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 13 mei 2009, LJN BI3737 heeft overwogen is in artikel 2 van Pro de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten van 31 januari 2006, Stcrt, 2006, 33, bepaald dat deze protocollen toepassing vinden bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de WAJONG, WAZ of WAO of volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de Wet WIA. Deze protocollen zijn derhalve niet van toepassing bij een ZW-beoordeling. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.
4.5. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit is de Raad -evenals de rechtbank- van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het verschil tussen de bezwaarverzekeringsarts en de behandelend psychiater omtrent de diagnose PTSS is naar het oordeel van de Raad terecht niet doorslaggevend geacht, nu uit de overgelegde stukken van PsyQ en de Stichting Centrum ’45 niet naar voren komt dat appellant in het dagelijkse leven wezenlijk andere beperkingen heeft dan door de verzekeringsartsen zijn vastgesteld en meegewogen.
4.6. Naar aanleiding van de vraagstelling door de Raad in verband met de te hanteren maatstaf arbeid heeft de bezwaararbeidsdeskundige Veugelaers in zijn rapportage van 30 oktober 2009 een beschrijving gegeven van de laatstelijk door appellant verrichte functie telecomengineer/assistent projectleider en van de daarin voorkomende belasting. Op basis daarvan heeft de bezwaarverzekeringsarts Van Duijn geconcludeerd dat appellant, gezien zijn beperkte psychische problematiek, per 5 juli 2007 in staat was deze functie te kunnen verrichten. Dit oordeel van Van Duijn is deugdelijk gemotiveerd. Nu appellant in hoger beroep geen medische gegevens heeft ingebracht en door de bezwaarverzekeringsartsen ook in eerdere rapportages voldoende overtuigend en gemotiveerd is aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellant vanaf 5 juli 2007 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid, ziet de Raad geen aanleiding voor twijfel aan de deugdelijkheid van de onderhavige besluitvorming daarover. Evenmin ziet de Raad aanleiding tot het benoemen van een deskundige voor het verrichten van nader onderzoek. Dat appellant zijn klachten anders ervaart kan, wat daarvan ook zij, niet leiden tot het aanvaarden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 966,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 146,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) I. Mos.
KR