ECLI:NL:CRVB:2010:BM2939

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-7073 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
  • R.C. Stam
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks psychische klachten appellant

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering per 15 december 2005 te herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Hij voerde aan dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen, met name de gevolgen van kankerbehandelingen en psychische klachten. De rechtbank oordeelde dat het medische en arbeidskundige onderzoek zorgvuldig en conform de geldende normen was uitgevoerd en wees het beroep af.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt en verzocht om benoeming van een onafhankelijk medisch deskundige. Het UWV verwees naar de eerdere overwegingen en stelde dat geen nieuwe medische gegevens waren aangeleverd. De Raad constateerde dat in de FML zowel lichamelijke als psychische beperkingen waren betrokken, mede op basis van aanvullende gegevens van de behandelend psychiater. Er was geen aanleiding om het medisch onderzoek als onvolledig of onzorgvuldig te beschouwen.

De Raad zag geen reden om zich voor zijn oordeel nader te laten informeren door een medisch deskundige. De eerdere uitspraak werd bevestigd en er werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

07/7073 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 november 2007, 07/704 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2010. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Verkoeijen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de door de rechtbank, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak weergegeven feiten en omstandigheden. De Raad vermeldt hier dat het Uwv de eerder aan appellant vanwege de gevolgen van een kwaadaardige tumor verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bij besluit van 14 oktober 2005 met ingang van 15 december 2005 heeft ingetrokken. Deze intrekking heeft het Uwv, onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte bezwaar, wegens een in de rechtspraak van de Raad niet toegestane maximering van de maatmanomvang niet gehandhaafd. Bij op bezwaar genomen besluit van 16 april 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 15 december 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
2.1. De rechtbank heeft ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit als haar oordeel gegeven dat - gelet op alle voorhanden zijnde gegevens - er geen aanknopingspunten te vinden zijn om de eindconclusies van het verzekerings-geneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de informatie van de huisarts van appellant, van zijn psychiater en van zijn KNO-arts in de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts is betrokken en dat geen medische gegevens zijn overgelegd die zouden moeten doen concluderen dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte is uitgegaan van een (voorlopig) gestabiliseerd toestandsbeeld.
2.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van arbeidsongeschiktheidsschatting heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat de wijze waarop de arbeidskundige beoordeling is geschied en het eindresultaat daarvan in overeenstemming zijn met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de anderszins daaraan te stellen eisen.
2.3. De rechtbank heeft daarop, onder afwijzing van het verzoek van appellant om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen, het inleidend beroep ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellant met verwijzing naar de door hem in bezwaar en beroep aangevoerde gronden zijn standpunt gehandhaafd dat de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn beperkingen onvoldoende heeft verdisconteerd. In het bijzonder is er onvoldoende aandacht geweest voor de symptomen en medische beperkingen ten gevolge van de kankerbehandelingen, die appellant in het verleden heeft ondergaan en is niet (voldoende) rekening gehouden met zijn klachten van psychiatrische aard. Er is sprake van een onvolledig en onzorgvuldig medisch onderzoek zodat er gerede twijfel is aan de juistheid van de aangevallen uitspraak. Appellant heeft tegen de aan de schatting ten grondslag liggende functies alleen aangevoerd dat deze niet geschikt zijn, omdat de FML niet correct is vastgesteld Ter zitting is desgevraagd bevestigd dat die geschiktheid staat of valt met de juistheid van de FML. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijk medisch deskundige onderzoek te laten doen.
3.2. Het Uwv heeft in verweer aangevoerd dat appellant zijn standpunt niet met nieuwe medische gegevens heeft onderbouwd en heeft verder verwezen naar de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. De Raad stelt vast dat in de FML met zowel lichamelijke als psychische beperkingen van appellant rekening is gehouden. Zorgvuldigheidshalve heeft de bezwaarverzekeringsarts aanvullende gegevens opgevraagd en verkregen van de behandelend psychiater T.P.J. Hans, verbonden aan het Regionaal Centrum Geestelijke gezondheidszorg Venlo. Deze gegevens hebben de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven om de FML aan te passen. Aldus kan niet gezegd worden dat, althans in de bezwaarfase van de besluitvorming, niet sprake is geweest van een volledig en zorgvuldig medisch onderzoek dat aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Haar conclusies heeft de bezwaarverzekeringsarts naar behoren gemotiveerd. De Raad heeft geen aanleiding voor de veronderstelling dat in de FML in onvoldoende mate rekening is gehouden met de bij appellant bestaande psychische klachten.
4.3. Appellant heeft in eerste aanleg en in hoger beroep doen wijzen op zijn vermoeidheidsklachten ten tijde hier in geding als gevolg van de door hem ondergane kankerbehandelingen. Aan het rapport van 22 september 2005 van de verzekeringsarts valt te ontlenen dat appellant van deze klachten bij de verzekeringsarts melding heeft gemaakt. Deze heeft hierin geen indicatie gezien voor een urenbeperking gezien het dagverhaal van appellant en de bevindingen bij eigen onderzoek. Nu de bezwaarverzekeringsarts zich met het in de FML neergelegde standpunt van de verzekeringsarts, na ontvangst van gegevens van de behandelende medici, heeft kunnen verenigen en dit standpunt in hoger beroep niet met nieuwe medische gegevens is bestreden, ziet de Raad geen reden om dit standpunt in het onderhavige geval niet voor juist te houden.
4.4. Naar in het hiervoor overwogene al ligt besloten ziet de Raad geen aanleiding zich voor zijn eigen oordeelsvorming nader te laten voorlichten door een medisch deskundige.
5. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M. Mostert.
GdJ