ECLI:NL:CRVB:2010:BM1211
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante was gehuwd met haar ex-echtgenoot en ontving bijstand volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Na onderzoek door de Sociale Dienst Amsterdam bleek dat appellante en haar ex-echtgenoot niet duurzaam gescheiden leefden, terwijl dit niet aan het College was gemeld. Hierdoor werd de bijstand over bepaalde periodes ingetrokken en teruggevorderd, waarbij appellante ook hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld.
De rechtbank vernietigde het besluit deels, maar handhaafde de intrekking en terugvordering over de periode waarin niet duurzaam gescheiden werd geleefd. Appellante ging in hoger beroep tegen dit oordeel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante inderdaad niet duurzaam gescheiden leefde in de betrokken periode, wat bevestigd werd door verklaringen en het feit dat zij samen met haar ex-echtgenoot en kind op vakantie was geweest. Het College was bevoegd de bijstand terug te vorderen en intrekken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Ten slotte bevestigde de Raad het nieuwe besluit van het College waarin de intrekking en terugvordering werd beperkt tot de periode van 30 september 2002 tot en met 31 oktober 2003, en wees het verzoek tot proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.