ECLI:NL:CRVB:2010:BM0468
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.W. Schuttel
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens ontbreken van arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als uitzendkracht in de tuinbouw, meldde zich op 16 oktober 2007 ziek. Aanvankelijk werd hem ziekengeld toegekend. Op 23 januari 2008 besloot het UWV echter de uitkering te beëindigen, omdat appellant niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn arbeid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 18 maart 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
De Raad overwoog dat het werk in een rozenkas niet als lichamelijk zwaar kan worden aangemerkt en dat de medische klachten van appellant, waaronder suikerziekte, hartklachten en nek- en rugklachten, geen evidente beperkingen opleveren. De cardioloog constateerde geen coronairinsufficiëntie en de klachten waren niet objectief aantoonbaar. Op basis hiervan concludeerde de bezwaarverzekeringsarts dat appellant niet arbeidsongeschikt was op de datum in geding.
De Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding om af te wijken van deze conclusies en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegekend. De beslissing werd uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet arbeidsongeschikt is en weigert het ziekengeld.