ECLI:NL:CRVB:2010:BL9942

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4028 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening WAO-uitkering ondanks betwisting beperkingen

Appellante, die een WAO-uitkering ontving, verzocht om herziening van haar uitkering na een ziekmelding in september 2007. Het UWV weigerde deze herziening per oktober 2007, waarna appellante bezwaar maakte. Het bezwaar werd deels gegrond verklaard en haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 55-65%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de verzekeringsartsen voldoende rekening hadden gehouden met haar lichamelijke en psychische klachten.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij meer lichamelijke beperkingen had en dat onterecht geen urenbeperking was vastgesteld. Zij stelde dat zij sneller zou uitvallen bij werkzaamheden onder haar niveau, wat haar psychotherapeute zou bevestigen. De Raad overwoog echter dat appellante geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die twijfel konden zaaien over de vastgestelde belastbaarheid. De informatie van de psychotherapeute leidde niet tot een ander oordeel.

De Raad wees ook de stelling af dat appellante vanwege jeugdervaringen geen huishoudelijke werkzaamheden kon verrichten, omdat hiervoor geen medische reden was. Tevens werd benadrukt dat de genoemde functies slechts voorbeeldfuncties zijn en niet alle huishoudelijke werkzaamheden omvatten. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de WAO-uitkering te herzien en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

09/4028 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 juni 2009, 08/5369 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. O. Labordus, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Rijswijk, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Appellante is verschenen bij gemachtigde, mr. Labordus. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Reitsma.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante ontving een WAO-uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Bij besluit van 20 mei 2008 heeft het Uwv geweigerd – na een ziekmelding van appellante per 7 september 2007 – deze uitkering per 5 oktober 2007 te verhogen.
1.2. Bij besluit op bezwaar van 6 oktober 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante ingediende bezwaar deels gegrond verklaard en haar mate van arbeidsongeschiktheid per 5 oktober 2007 nader vastgesteld op 55-65%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Zij waren op de hoogte van de lichamelijke en psychische klachten van appellante. Op verzoek van de verzekeringsarts is een psychiatrische expertise uitgebracht. De verzekeringsartsen hebben voorts genoegzaam gemotiveerd dat er geen noodzaak meer is voor een urenbeperking. De functies medewerkster schoonmaakdienst, medewerker interne dienst en monteur mochten aan de schatting ten grondslag worden gelegd.
3. In hoger beroep heeft appellante hiertegen aangevoerd dat zij meer lichamelijke beperkingen heeft. Ten onrechte is geen urenbeperking aangenomen. Als zij ver onder haar niveau werkzaamheden moet verrichten zal zij sneller weer uitvallen, zoals haar psychotherapeute heeft bevestigd.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad reden voor het oordeel dat de verzekeringsartsen onvoldoende beperkingen hebben aangenomen.
In hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De in beroep overgelegde informatie van de psychotherapeute leidt niet tot een andere conclusie. De stelling dat appellante – gelet op ervaringen in haar jeugd – geen huishoudelijke werkzaamheden zou kunnen verrichten slaagt niet, nu daar geen medische reden voor is. Overigens wijst de Raad er op dat de genoemde functies voorbeeldfuncties zijn en dat niet alle functies huishoudelijk werk betreffen.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2010.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) T.J. van der Torn.
GdJ