ECLI:NL:CRVB:2010:BL9712

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-811 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering periodieke WUBO-uitkering wegens ontbreken oorzakelijk verband tussen oorlogsinvaliditeit en werkbeëindiging

Appellant, geboren in 1931, vroeg erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO). Hij werd erkend op basis van psychische invaliditeit, maar de lichamelijke klachten werden niet aan het oorlogsgeweld toegerekend. De gevraagde periodieke uitkering werd geweigerd omdat zijn werkbeëindiging in 1989 als hoogleraar niet het gevolg was van zijn oorlogsinvaliditeit.

Appellant stelde dat zijn lichamelijke klachten voortvloeiden uit psychische klachten die verband hielden met zijn oorlogservaringen en dat deze klachten hem dwongen zijn werkzaamheden te beëindigen. De Raad nam medische adviezen in overweging waaruit bleek dat de lichamelijke klachten niet psychosomatisch waren maar voortkwamen uit constitutionele factoren. Hoewel psychische klachten de lichamelijke konden verergeren, was er geen bewijs dat zij de oorzaak waren.

De Raad concludeerde dat er geen objectieve medische gegevens beschikbaar waren die het standpunt van appellant ondersteunden dat zijn werkbeëindiging in 1989 verband hield met zijn psychische oorlogsinvaliditeit. Een nader medisch onderzoek werd niet opportuun geacht vanwege het lange tijdsverloop en het retrospectieve karakter. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de weigering van de periodieke WUBO-uitkering gehandhaafd.

Uitspraak

09/811 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Frankrijk (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 18 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 15 januari 2009, kenmerk BZ 8785, JZ/Y70/2009, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2010. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door drs. H.H.G. Langlois van den Bergh, wonende te Harfsen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 2008 bij verweerster een aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet ingediend en verzocht als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering.
1.2. Bij besluit van 18 november 2008 is appellant op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Met betrekking tot de bij appellant aanwezige lichamelijke klachten (waaronder maagklachten, eczeemklachten en bronchitis) heeft verweerster geoordeeld dat deze klachten niet in verband staan met het oorlogsgeweld, maar door andere oorzaken zijn ontstaan. Aan appellant zijn met ingang van 1 april 2008 de toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet en verschillende voor-zieningen toegekend. De door appellant gevraagde periodieke uitkering is geweigerd op de grond dat zijn werkbeëindiging in 1989 als hoogleraar aan de universiteit van Guelph (Toronto, Canada) niet heeft plaatsgevonden vanwege zijn oorlogsinvaliditeit. Deze weigering heeft verweerster na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.
2. In beroep heeft appellant zich gekeerd tegen de weigering van verweerster hem een periodieke uitkering te verstrekken. Daarbij heeft appellant aangegeven - zoals ter zitting verklaard - dat zijn lichamelijke klachten weliswaar niet in direct verband staan met zijn oorlogsverleden, maar dat deze klachten wel zijn verergerd door de oorlogservaringen. Appellant stelt dat zijn lichamelijke klachten voortvloeien uit zijn psychische klachten. Naar het oordeel van appellant zijn deze klachten en de psychische klachten er wel de oorzaak van geweest dat hij zijn werkzaamheden in 1989 heeft moeten beëindigen.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. De zienswijze van verweerster dat de bij appellant aanwezig lichamelijke klachten (in het bijzonder de maagklachten, eczeemklachten en bronchitis) niet zijn aan te merken als psychosomatisch, is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op een medisch onderzoek van appellant door één van deze adviseurs en waarbij informatie van de huisarts van appellant is betrokken. Zo is overwogen dat de oorzaak van genoemde klachten duidelijk is gelegen in constitutionele factoren. Verder is aangegeven dat de psychische klachten soms de aanwezige lichamelijke klachten kunnen verergeren, maar dat dat niet betekent dat de psychische klachten die lichamelijke klachten hebben veroorzaakt.
3.1.1. In de gedingstukken van medische aard heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden om het standpunt dat verweerster op basis van deze adviezen heeft ingenomen, onjuist te achten. Appellant heeft in beroep nog medische verklaringen overgelegd van de artsen Y-C. Manez en dr. C.R. Fischer, maar die verklaringen geven geen ander beeld over de oorzaak van de hier bedoelde lichamelijke klachten.
3.2. Gezien het voorgaande ziet de Raad zich vervolgens gesteld voor de vraag of de werkbeëindiging in 1989 als hoogleraar aan de universiteit van Guelph heeft plaats-gevonden op grond van zijn psychische oorlogsinvaliditeit.
3.2.1. Op grond van artikel 7, aanhef en onder a, van de Wet is voor toekenning van een periodieke uitkering onder meer vereist dat het burger-oorlogsslachtoffer ten gevolge van zijn voor de toepassing van de Wet in aanmerking te nemen invaliditeit gedwongen is geweest zijn werkzaamheden in beroep of bedrijf te beëindigen of blijvend te verminderen.
3.2.2. Appellant heeft op indringende wijze naar voren gebracht dat hij als gevolg van zijn psychische klachten niet meer naar behoren kon functioneren als hoogleraar aan de universiteit van Guelph en dat hij onder enige druk heeft gekozen voor het vervroegd stoppen met zijn werkzaamheden. Hoewel hetgeen appellant heeft aangevoerd de Raad niet onaannemelijk voorkomt, moet worden vastgesteld dat er geen objectieve medische gegevens beschikbaar zijn uit die periode, die het standpunt van appellant kunnen onderschrijven. Zoals appellant zelf ook heeft aangegeven, heeft hij zich nimmer vanwege zijn psychische klachten onder behandeling gesteld. Het instellen van een nader medisch onderzoek zoals door appellant is verzocht acht de Raad mede in dat licht niet opportuun, ook gezien het lange tijdsverloop sinds 1989 en het retrospectieve karakter van zo’n onderzoek.
3.2.3. Gezien het voorgaande kan de Raad dan ook het standpunt van verweerster dat de werkbeëindiging van appellant niet op grond van zijn oorlogsinvaliditeit heeft plaats-gevonden niet voor onjuist houden.
4. Het voorgaande betekent dat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD