ECLI:NL:CRVB:2010:BL9495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven
Appellant, gehuwd met [S.], vroeg bijstand aan naar de norm voor een alleenstaande, omdat hij sinds januari 2006 bij zijn dochter woonde na een ruzie met zijn zoon. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage wees de aanvraag af omdat appellant een gezamenlijke huishouding met zijn echtgenote voerde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat duurzaam gescheiden leven alleen wordt aangenomen als er een gewilde en bestendige verbreking van de echtelijke samenleving is, waarbij ieder zijn eigen leven leidt alsof hij niet gehuwd is.
De Raad nam de bevindingen van een huisbezoek en verklaringen mee, waaronder het feit dat het huurcontract van de echtelijke woning nog op naam van appellant stond en hij de vaste lasten betaalde. Ook werd de aanwezigheid van administratie en medicijnen van de echtgenote in de woning vastgesteld. Deze feiten rechtvaardigen het oordeel dat geen duurzaam gescheiden leven bestond, waardoor appellant niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden beschouwd.
Uitkomst: De aanvraag van appellant om bijstand naar de norm voor een alleenstaande is terecht afgewezen wegens het ontbreken van duurzaam gescheiden leven.