Appellant heeft op 9 februari 2006 een WIA-uitkering aangevraagd na arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde vast dat appellant meer dan 65% van zijn loon kan verdienen en weigerde daarom de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellant niet werden onderschat.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische situatie ernstiger was dan erkend, mede op basis van rapportages van zijn behandelend zenuwarts Loen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de verzekeringsartsen, waaronder psychiater Van Ittersum en bezwaarverzekeringsarts Momberg, het medisch dossier zorgvuldig hadden beoordeeld. De rapportage van Loen werd als summier en onvoldoende onderbouwd beschouwd om de eerdere conclusies te weerleggen.
De Raad concludeerde dat er geen objectieve medische gegevens waren die aantonen dat appellant de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kon verrichten. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende beperkingen.
Uitspraak
09/4754 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 15 juli 2009, 09/561 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. Madern. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans.
Ter zitting is het onderzoek geschorst om appellant in de gelegenheid te stellen nadere informatie te overleggen en het Uwv in de gelegenheid te stellen op deze informatie te reageren.
Appellant heeft op 28 december 2009 een reactie van zenuwarts H. Loen overlegd.
Het Uwv heeft hierop gereageerd middels een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 14 januari 2010.
Na toestemming van partijen heeft de Raad besloten om zonder nader onderzoek ter zitting tot een uitspraak te komen en heeft de Raad het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 9 februari 2006 uitgevallen voor zijn arbeid en heeft een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
2.1. Ten einde de belastbaarheid van appellant voor arbeid vast te stellen heeft psychiater E.F. van Ittersum op verzoek van verzekeringsarts T.K. Oei appellant onderzocht. Van Ittersum acht het niet mogelijk om het ziektebeeld te beschrijven en te komen tot een classificatie. Oei komt naar aanleiding van dit onderzoek, informatie van de huisarts en behandelend zenuwarts Loen en eigen onderzoek tot de conclusie dat het aannemelijk is dat appellant beperkingen heeft in zijn psychische en sociale functioneren en hij is aangewezen op een stressarme, gestructureerde omgeving, geen situaties met potentiële conflicten en geen situaties waarbij men veel contacten moet hebben met mensen. Appellant wordt geschikt geacht voor zijn eigen arbeid, zij het bij een andere werkgever en subsidiair geschikt geacht voor met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geduide functies.
2.2. Bij besluit van 9 juni 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat er per 7 februari 2008 geen recht bestaat voor appellant op een WIA-uitkering omdat uit de rapportage van de arbeidsdeskundige blijkt dat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
2.3. Bij het bestreden besluit van 29 december 2008 is het bezwaar tegen dit besluit door het Uwv ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat met de klachten van appellant voldoende rekening is gehouden.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te concluderen dat de verzekeringsarts de beperkingen van appellant heeft onderschat. De door appellant in het geding gebrachte verklaring van zijn behandelend zenuwarts Loen van 7 februari 2009, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 19 maart 2009. Voorst heeft zenuwarts Loen reeds eerder, bij brief van 4 december 2007, medische informatie verstrekt, waarbij dezelfde conclusie is weergegeven als in de meest recente brief van 7 februari 2009. Van deze informatie heeft psychiater Van Ittersum alsmede de verzekeringsarts ten tijde van het opstellen van de FML, kennis genomen.
4. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald. Appellant is van mening dat met name zijn psychische situatie zodanig is, dat hij niet belastbaar is voor arbeid.
De verzekeringsartsen hebben volgens appellant niet de juiste waarde gehecht aan de informatie van zenuwarts Loen en van zijn huisarts en hebben ten onrechte de rapportage van psychiater Van Ittersum gevolgd, ondanks dat deze in zijn rapportage heeft aangegeven geen ziektebeeld te kunnen beschrijven of therapie vast te stellen. Behandelend zenuwarts Loen geeft aan dat er pas in de loop van 2008 sprake is van enige verbetering en niet al per datum in geding (7 februari 2008).
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Appellant is door de Raad in de gelegenheid gesteld om een nadere rapportage van zenuwarts Loen van 18 december 2009 te overleggen.Volgens deze rapportage, zoals ook weergegeven in de brief van zijn gemachtigde van 28 december 2009, was de toestand van appellant in 2007 wisselend, met soms duidelijke hallucinaties, werd in januari 2008 een opname geweigerd, leek appellant in de loop van 2008 niet meer depressief of psychotisch, maar had hij wel angsten, spanningsklachten en regressief gedrag. In maart 2009 was de toestand weer verergerd waarbij niet kon worden vastgesteld of er wel of geen psychotische verschijnselen waren. De diagnose van zenuwarts Loen luidt: “depressie (reactief, ernstig, met psychotische kenmerken) deels in remissie of atypische (hysterische) psychose”. Bezwaarverzekeringsarts P. Momberg heeft in haar rapportage van 14 januari 2010 een reactie gegeven op de brief van zenuwarts Loen. Zij is van mening dat de gegevens van zenuwarts Loen uitermate summier zijn in vergelijking met de uitgebreide en inzichtelijke rapportage van het onderzoek van Van Ittersum. Bij een verzekeringsgeneeskundige beoordeling is het niet de diagnose die leidend is, maar dienen de mogelijkheden van een belanghebbende in kaart te worden gebracht gebaseerd op de te objectiveren bevindingen ten gevolge van ziekte of gebrek. Bij appellant worden beperkingen in de belastbaarheid aannemelijk geacht, maar niet in de mate die hij claimt.
5.3. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is het medische onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en te concluderen dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellant hebben onderschat. De primaire verzekeringsarts Oei heeft appellant beoordeeld tijdens spreekuur, heeft aanvullende informatie opgevraagd bij de huisarts, bij behandelend zenuwarts Loen en heeft een psychiatrische expertise laten verrichten door Van Ittersum. Uit het rapport van Van Ittersum kan worden afgeleid dat appellant inconsequent gedrag vertoont en dat Van Ittersum geen diagnose heeft kunnen stellen, maar dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychotische stoornis en dat er geen manifeste aanwijzingen zijn voor een stemmingsstoornis. Bezwaarverzekeringsarts Momberg heeft dossierstudie verricht en heeft de brieven van zenuwarts Loen van 4 december 2007 en 7 februari 2009 bij haar beoordeling meegewogen. De Raad ziet geen reden deze beoordeling voor onjuist te houden. De brief van 18 december 2009 van zenuwarts Loen leidt evenmin tot een ander oordeel. De Raad verwijst naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 14 januari 2010, waarin is aangegeven dat ook de brief van 18 december 2009 geen enkel medisch objectief gegeven aandraagt waaruit blijkt dat appellant ten tijde in geding de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kon verrichten.
5.4. De aangevallen uitspraak komt gezien hetgeen is overwogen in 5.2 en 5.3 voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2010.