ECLI:NL:CRVB:2010:BL8985
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1995 een nabestaandenuitkering die in 1996 werd omgezet naar de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een fraudemelding van de gemeente Nijmegen startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant. Dit onderzoek, inclusief verklaringen van appellant, betrokkene en getuigen, leidde tot het besluit de uitkering per 31 januari 2001 in te trekken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad hanteerde de vaste rechtspraak dat het criterium van gezamenlijke huishouding objectief wordt beoordeeld aan de hand van het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse zorg.
De Raad concludeerde dat appellant en betrokkene vanaf januari 2001 hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellant, ondanks inschrijving op verschillende adressen. Tevens was sprake van wederzijdse verzorging, zoals samen eten, boodschappen doen, vakantie vieren en gebruik van elkaars auto. Er waren geen dringende redenen om van intrekking af te zien. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de intrekking van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering per 31 januari 2001 wordt bevestigd.