AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluiten intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand sinds 2003 en stond ingeschreven op een adres in Groningen. Uit onderzoek bleek dat hij niet op dat adres verbleef, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 2003-2006. Tevens werd bijstand ingetrokken met ingang van 1 september 2006. Appellant had zich ingeschreven op het adres van een ander, [M.], en diende aanvragen in voor bijstand als alleenstaande en later als gehuwde.
De Raad oordeelt dat appellant in de periode 2003-2006 niet op het opgegeven adres woonde en dat het College terecht bijstand introk en terugvorderde. Voor de periode vanaf 1 september 2006 tot 2 november 2006 vernietigt de Raad het besluit tot intrekking omdat appellant vanaf 7 oktober 2006 samen met [M.] een gezamenlijke huishouding voerde, wat niet was gemeld. Hierdoor was bijstand naar de norm voor alleenstaanden onterecht verleend.
Verder werd de aanvraag van 3 oktober 2006 voor bijstand beoordeeld als een verzoek tot terugkomen op eerdere besluiten. Voor de periode 25 oktober tot en met 1 december 2006 werd het recht op bijstand niet vastgesteld vanwege het ontbreken van bewijs van gewijzigde omstandigheden. Verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen, maar het College werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Besluiten tot intrekking en terugvordering bijstand over bepaalde periodes vernietigd wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht, verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
08/653 WWB
08/656 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 3 januari 2008, 07/297 en 07/407 (hierna: aangevallen uitspraak 1 en 2),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 2 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, tegen beide uitspraken hoger beroep ingesteld.
Het College heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
De zaken zijn gevoegd ter behandeling aan de orde gesteld op 19 januari 2010, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande vanaf 3 maart 2003, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Vanaf 3 juli 2003 stond hij ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats].
1.2. Uit een bestandvergelijking tussen het Waterbedrijf en de Dienst Sociale Zaken en Werk te Groningen is gebleken dat op het door appellant opgegeven adres een zeer laag verbruik van water is geregistreerd. Naar aanleiding van dit gegeven heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (hierna: de sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn registers geraadpleegd, is diverse instanties om inlichtingen verzocht, zijn observaties verricht, is op 7 september 2006 een huisbezoek aan de woning van appellant gebracht, zijn appellant en [M.] als verdachten verhoord en hebben diverse buurtbewoners als getuigen verklaringen afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 28 november 2006. Het College heeft de bijstand van appellant op basis van de voorlopige resultaten van het onderzoek geblokkeerd met ingang van 1 september 2006.
1.3. Op 7 september 2006 heeft appellant zich laten inschrijven op het adres van [M.]. Op 3 oktober 2006 heeft appellant een aanvraag om bijstand met ingang van 1 september 2006 naar de norm voor een alleenstaande ingediend. Hij heeft daarbij opgegeven kamerhuurder te zijn op het adres van [M.]. Op 25 oktober 2006 heeft hij samen met [M.] een aanvraag ingediend om bijstand naar de norm voor gehuwden.
1.4. De resultaten van het onder 1.2 genoemde onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 2 november 2006 de bijstand van appellant met ingang van 1 september 2006 in te trekken. Het College heeft, zich eveneens baserend op deze resultaten, voorts bij besluit van 7 november 2006 de bijstand over de periode van
3 juli 2003 tot en met 31 augustus 2006 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 37.271,67 van appellant teruggevorderd.
1.5. Bij besluit van eveneens 7 november 2006 heeft het College de aanvraag om bijstand van appellant en [M.] samen van 25 oktober 2006 afgewezen op de grond dat hun gezamenlijk inkomen hoger is dan de bijstandsnorm. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.6. Bij besluit van 1 december 2006 heeft het College de aanvraag van appellant van 3 oktober 2006 afgewezen. Het College heeft daarbij de periode van 1 september 2006 tot 25 oktober 2006 beoordeeld.
1.7. Bij besluit van 20 februari 2007 heeft het College het bezwaar tegen de onder 1.4 genoemde besluiten van 2 en 7 november 2006 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op de grond dat appellant in strijd met zijn inlichtingenverplichting niet aan het College heeft gemeld dat hij in de periode van 3 juli 2003 tot en met 31 augustus 2006 en vanaf
1 september 2006 niet op het door hem opgegeven adres verbleef en dat aldus het recht op bijstand niet is vast te stellen.
1.8. Bij besluit van 26 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het onder 1.6 genoemde besluit van 1 december 2006 gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Over de periode van 7 tot 25 oktober 2006 is bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande woningdeler onder toekenning van een vergoeding van kosten van de bezwaarprocedure en wettelijke rente over de nabetaling. Over de periode van 1 september tot 7 oktober 2006 heeft het College de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen, omdat appellant vóór 1 september 2006 niet op het door hem opgegeven adres verbleef en niet is gebleken dat daarin verandering is gekomen.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 februari 2007 ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat voldoende aannemelijk is dat appellant in de periode in geding niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.
2.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen de weigering van een uitkering vanaf 25 oktober 2007 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die tot verlening van bijstand met terugwerkende kracht nopen en dat het recht op bijstand over de periode van 3 tot 7 oktober 2006 niet is vast te stellen.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraken.
4.1. De intrekking en de terugvordering over de periode 3 juli 2003 tot en met 31 augustus 2006
4.1.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn betoog herhaald dat het College geen grond had om aan te nemen dat hij niet op het opgegeven adres verbleef. De lage verbruikcijfers van water en elektriciteit worden verklaard door zijn zuinige leefwijze en de verklaringen van buurtbewoners zijn onbetrouwbaar. Het huisbezoek op 7 september 2006 kan evenmin bijdragen aan die conclusie.
4.1.2. De Raad is echter met de rechtbank en het College van oordeel dat uit de resultaten van het onder 1.2 genoemde onderzoek blijkt dat appellant in de genoemde periode niet zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het waterverbruik was in die periode met omstreeks 2 m³ per jaar extreem laag gezien het feit dat het gemiddelde verbruik voor een eenpersoonshuishouden 52 m³ per jaar is. Het gas- en elektriciteitsverbruik op dat adres bedroeg in de eerste acht maanden 36 m³ en 95 kWh en in de twee jaren daarna 19 m³ en 128 kWh respectievelijk 0 (nul) m³ en 48 kWh. Dat is eveneens extreem laag te noemen, waar het gemiddelde gas- en elektriciteitsverbruik voor een dergelijke woning en één persoon is vastgesteld op 1300 m³ en 1300 kWh per jaar. De verklaring van appellant dat hij zuinig leeft, is ontoereikend om dit extreem lage verbruik te verklaren, zeker in het licht van de vaststelling tijdens het huisbezoek dat een grote flatscreen televisie, een wasmachine en een gaskookplaat aanwezig waren. Veeleer duidt dit extreem lage verbruik op het niet wonen van appellant ter plekke. Deze conclusie wordt ondersteund door de verklaringen van de buren van [M.], die verklaren dat appellant in de hier bedoelde periode woonde bij [M.] en dagelijks met diens hond op straat liep. Verder is tijdens het huisbezoek waargenomen dat er zich in de woning nauwelijks kleding van appellant bevond, dat de koelkast uitgeschakeld was en dat er nauwelijks etenswaren in huis waren. Tot slot is vastgesteld dat appellant op de dag van het huisbezoek samen met [M.] is vertrokken uit diens woning en dat geldopnamen door appellant werden verricht in de omgeving van de woning van [M.] en niet in de omgeving van het door appellant opgegeven adres.
4.1.3. Dit voert tot de conclusie dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode van 3 juli 2003 tot en met 31 augustus 2006. Appellant heeft de uitoefening van deze bevoegdheid door het College, noch de daarop steunende bevoegdheid tot terugvordering en de uitoefening van die bevoegdheid bestreden, zodat het hoger beroep voor zover het betrekking heeft op deze periode dient te falen.
4.2. De intrekking van bijstand met ingang van 1 september 2006
4.2.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking in het primaire besluit van 2 november 2007 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 1 september 2006 tot en met 2 november 2006.
4.2.2. Appellant heeft de onder 4.1.1 genoemde grieven ook aangevoerd tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 20 februari 2010, voor zover dat ziet op de intrekking met ingang van 1 september 2006.
4.2.3. De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel, op de gronden onder 4.1 uiteengezet, dat appellant in de periode van 1 tot 7 september 2006, de datum waarop hij zich inschreef op het adres van [M.], niet verbleef op het door hem bij het College opgegeven adres en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld.
4.2.4. Aangaande de periode van 7 september tot 7 oktober 2006 is de Raad uit de gedingstukken het volgende gebleken. Appellant heeft zich op 18 september 2006 wederom laten inschrijven op zijn oude adres, [adres 1]. Met ingang van 7 oktober 2006 heeft hij zich weer laten inschrijven op het adres van [M.]. In zijn aanvraag om bijstand van 3 oktober 2007 heeft appellant verklaard dat hij in verband met zijn opzegtermijn zijn oude woning tot 7 oktober 2006 moest aanhouden, en dat hij daarom terugkwam op zijn adreswijziging per 7 september 2006. Aldus heeft appellant tegenover het College volgehouden dat zijn verblijfsadres tot 7 oktober 2006 [adres 1] was. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2.3 is overwogen is de Raad van oordeel dat, nu appellant geen relevante wijziging in feiten en omstandigheden ten opzichte van de voorafgaande perioden heeft gesteld, laat staan aannemelijk heeft gemaakt, en verwarring heeft geschapen over zijn verblijfsadres, het ervoor gehouden moet worden dat appellant niet woonde op het door hem opgegeven adres. Als gevolg daarvan kan ook over deze periode het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
4.2.5. Voor wat betreft de periode vanaf 7 oktober 2006 tot en met 2 november 2006 ontbeert het besluit van 20 februari 2007 naar het oordeel van de Raad feitelijke grondslag. Appellant stond in deze periode immers ingeschreven op het adres van [M.] en hij had dit adres aan het College opgegeven, onder meer in de aanvragen van 3 en 25 oktober 2006. Het College heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat appellant daar niet verbleef. Aldus berust het besluit tot intrekking van bijstand over deze periode niet op een draagkrachtige motivering.
4.2.6. De rechtbank heeft hetgeen onder 4.2.5 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak 1 komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Het besluit van 20 februari 2007 moet, voor zover het betrekking heeft op de intrekking van bijstand met ingang van 1 september 2006, worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 20 februari 2007 in stand te laten. Hij overweegt daartoe als volgt.
4.2.7. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.2.8. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2.5 is overwogen bieden de gedingstukken voldoende grondslag voor het standpunt dat appellant en [M.] van 7 oktober 2006 tot en met 2 november 2006 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Ook acht de Raad voldoende grondslag aanwezig voor het standpunt dat er die periode sprake was van wederzijdse zorg. Zo heeft appellant op 17 oktober 2006 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij vaak samen met [M.] eet, dat ze vaak samen boodschappen doen, dat hij de hond van [M.] uitlaat en dat [M.] hem ondersteunt in zijn contacten met artsen, sociale dienst en andere instanties. [M.] heeft op 17 oktober 2006 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij en appellant regelmatig samen aten, dat appellant zijn hond uitliet en dat hij appellant hielp overal waar dat in verband met diens gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal nodig was.
4.2.9. Hetgeen in paragraaf 4.2.8 is overwogen betekent dat appellant en [M.] gedurende de hier te beoordelen periode van 7 oktober 2006 tot en met 2 november 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellant heeft daarvan in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting bij het College geen melding gemaakt. Als gevolg daarvan is aan appellant over die periode ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend. Appellant was immers geen zelfstandig subject van bijstand.
4.2.10. Hetgeen onder 4.2.3, 4.2.4 en 4.2.9 is overwogen betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was de bijstand met ingang van 1 september 2006 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik zou kunnen maken.
4.3. De aanvraag van 3 oktober 2006
4.3.1. De Raad stelt voorop dat de aanvraag van 3 oktober 2006 ziet op het verkrijgen van bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Tussen partijen is in geschil of appellant bijstand met ingang van 1 september 2006 heeft aangevraagd of dat hij met de aanvraag van 3 oktober 2006 heeft beoogd dat hen bijstand wordt toegekend over de periode vanaf 1 september 2006 tot 25 oktober 2006. De Raad is met appellant en anders dan het College van oordeel dat appellant om bijstand met ingang van 1 september 2006 heeft gevraagd. Uit het door appellant ingevulde aanvraag formulier blijkt niet dat hij zijn aanvraag om bijstand wenste te beperken tot een bepaalde periode. Appellant heeft zijn aanvraag om bijstand niet in tijd beperkt door de aanvraag die hij en [M.] op 25 oktober 2006 hebben ingediend, nu daarbij iets anders werd aangevraagd, namelijk bijstand naar de norm voor gehuwden.
4.3.2. Het voorgaande betekent dat het College de beoordeling of appellant als alleenstaande recht heeft op bijstand ten onrechte heeft beperkt tot de periode van 1 september 2006 tot 25 oktober 2006. Het College had moeten beoordelen of appellant van 1 september 2006 tot en met 1 december 2006 als alleenstaande recht op bijstand had. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand immers in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit.
4.3.3. Met betrekking tot de door het College in het kader van de afhandeling van de aanvraag van 3 oktober 2006 beoordeelde periode stelt de Raad vast dat tussen partijen slechts de periode van 1 september 2006 tot 7 oktober 2006 in geschil is. De Raad stelt verder vast dat het College in het kader van de intrekking van de bijstand met ingang van 1 september 2006 reeds heeft beoordeeld of appellant over de periode van 1 september 2006 tot 7 oktober 2006 recht had op bijstand. Dat betekent dat de aanvraag van 3 oktober 2006 ten tijde van het op die aanvraag genomen besluit van 1 december 2006 voor wat betreft de periode van 1 september 2006 tot 7 oktober 2006 moet worden aangemerkt als een verzoek aan het College om terug te komen van zijn eerdere besluit van 2 november 2006. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 vanPro de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. De bestuursrechter dient dan het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Appellant heeft in het kader van zijn aanvraag vermeld dat hij een alleenstaande kamerbewoner is respectievelijk op zijn oude adres en inwonende bij [M.]. Dit was het College ten tijde van de intrekking van de bijstand reeds bekend. Dat betekent dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 vanPro de Awb heeft vermeld.
4.3.4. Met betrekking tot de door het College in het kader van de afhandeling van de aanvraag van 3 oktober 2006 niet beoordeelde periode van 25 oktober 2006 tot en met 1 december 2006 acht de Raad het aangewezen een onderscheid te maken tussen de periode van 25 oktober 2006 tot en met 2 november 2006 en de periode van 3 november 2006 tot en met 1 december 2006.
4.3.5. De Raad stelt vast dat het College in het kader van de intrekking van de bijstand met ingang van 1 september 2006 reeds heeft beoordeeld of appellant gedurende de periode van 25 oktober 2006 tot en met 2 november 2006 recht had op bijstand. Dat betekent dat de aanvraag van 3 oktober 2006 ten tijde van het op die aanvraag genomen besluit van 1 december 2006 ook voor wat de periode van 25 oktober 2006 tot en met 2 november 2006 betreft moet worden aangemerkt als een verzoek aan het College om terug te komen van zijn eerdere besluit van 2 november 2006. Ook ten aanzien van deze periode ligt derhalve de vraag voor of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 vanPro de Awb. Onder verwijzing naar hetgeen onder 4.3.3 is overwogen is de Raad van oordeel dat daarvan geen sprake is. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6 vanPro de Awb de aanvraag van 3 oktober 2006 af te wijzen voor zover deze ziet op de perioden van 1 september 2006 tot 7 oktober 2006 en van 25 oktober 2006 tot en met 2 november 2006. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik zou kunnen maken.
4.3.6. Ten aanzien van de periode van 3 november 2006 tot en met 1 december 2006 ligt het volgens vaste rechtspraak van de Raad op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij over die periode - anders dan voorheen - wel voldoet aan de vereisten voor het recht op bijstand jegens het College. Naar het oordeel van de Raad is appellant niet in dit bewijs geslaagd. Met name heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat gedurende die periode van een gezamenlijke huishouding met [M.] niet langer sprake was. Dat betekent dat het College gehouden was de aanvraag van appellant van 3 oktober 2006 af te wijzen voor zover deze ziet op de periode van 3 november 2006 tot en met 1 december 2006.
4.3.7. De rechtbank heeft hetgeen onder 4.3.1 en 4.3.2 is overwogen niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak 2 voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 26 maart 2007 vernietigen voor zover daarbij is verzuimd het recht op bijstand van appellant over de periode van 25 oktober 2006 tot en met 1 december 2006 te beoordelen. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Hij zal het besluit van 1 december 2006 herroepen voor zover daarbij is verzuimd het recht op bijstand van appellant over de periode van 25 oktober 2006 tot en met 1 december 2006 te beoordelen. Gelet op hetgeen onder 4.3.4 tot en met 4.3.6 is overwogen zal de Raad voorts de aanvraag van 3 oktober 2006 afwijzen, voor zover deze ziet op de periode vanaf 25 oktober 2006. Gelet op hetgeen onder 4.3.3 is overwogen, ziet de Raad geen grond om het besluit van 26 maart 2007 te vernietigen voor zover daarbij de afwijzing van de aanvraag om bijstand over de periode van 1 september 2006 tot 25 oktober 2006 is gehandhaafd.
4.4. Gelet op het voorgaande dient het verzoek om toekenning van schadevergoeding, zoals in eerste aanleg in beide zaken gedaan, te worden afgewezen.
5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden in de zaak onder nummer 08/653 WWB begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden in de zaak onder nummer 08/656 WWB begroot op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
In het hoger beroep onder nummer 08/653 WWB:
Vernietigt aangevallen uitspraak 1;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 20 februari 2007, voor zover daarbij de intrekking van de bijstand met ingang van 1 september 2006 is gehandhaafd;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dit besluit in stand blijven;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, waarvan € 322,-- te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.
In het hoger beroep onder nummer 08/656 WWB:
Vernietigt aangevallen uitspraak 2;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 26 maart 2007, voor zover daarbij is verzuimd het recht op bijstand vast te stellen over de periode van 25 oktober 2006 tot en met 1 december 2006;
Herroept het besluit van 1 december 2006 in zoverre;
Wijst de aanvraag van 3 oktober 2006 af voor zover deze ziet op de periode vanaf 25 oktober 2006;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.610,--, waarvan € 322,-- te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en O.L.H.W.I. Korte als leden in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2010.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) J.M. Tason Avila.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.