Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7265

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2548 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid ondanks bezwaren over medisch onderzoek

Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering per 24 augustus 2006, waarbij het UWV had vastgesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door een geregistreerde verzekeringsarts. In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek niet door een geregistreerde verzekeringsarts was gedaan en dat zijn psychische beperkingen onderschat waren.

De Raad concludeerde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat de arts Van den Boogard geregistreerd was, maar dat dit gebrek niet leidde tot onvoldoende zorgvuldigheid omdat een bezwaarverzekeringsarts het dossier had beoordeeld en lichamelijk onderzoek niet noodzakelijk was. De Raad oordeelde verder dat het rapport van de psychiater Jessurun niet relevant was voor de datum in geding en dat de overige medische stukken geen aanleiding gaven tot twijfel aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.

Daarnaast werd bevestigd dat de arbeidsdeskundige onderbouwing van het UWV voldoende was en dat appellant met zijn beperkingen de voorgestelde functies kon uitoefenen. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de intrekking van de WAO-uitkering. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 24 augustus 2006 wordt bevestigd.

Uitspraak

08/2548 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 april 2008, 07/531 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld en zijn -desgevraagd- nadere stukken ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op stukken die namens appellant zijn ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.C. de Jonge, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 23 juni 2006 heeft het Uwv appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 24 augustus 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatst genoemde datum minder dan 15% is. Het Uwv heeft het tegen dit besluit door appellant ingediende bezwaar bij besluit van 15 december 2006 (hierna: het bestreden besluit), ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien te twijfelen aan de juistheid van de stelling van het Uwv dat R.M.G. van den Boogard een geregistreerde verzekeringsarts is en heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Voorts kan de rechtbank zich verenigen met de door het Uwv voor appellant vastgestelde mogelijkheden en beperkingen en zij heeft geen reden gezien tot het inwinnen van een medisch deskundigenoordeel. Tot slot heeft de rechtbank als haar oordeel uitgesproken dat het Uwv genoegzaam heeft toegelicht dat de aan appellant voorgehouden functies passend zijn.
3. Appellant heeft in hoger beroep -samengevat- aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Appellant heeft hierbij onder verwijzing naar de ondertekening van het desbetreffende rapport gesteld dat het primair verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet is verricht door een geregistreerde verzekeringsarts. Voorts is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de voor appellant geformuleerde beperkingen juist heeft geacht. Deze stelling is namens appellant onderbouwd met rapporten van het Instituut Psychosofia, een rapport van psychiater R.W. Jessurun, een uitdraai van het huisartsen-journaal en een overzicht van aan appellant voorgeschreven medicatie.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.1. Naar het oordeel van de Raad dient in het kader van de beoordeling van het onderhavige geschil - voor zover die betrekking heeft op de medische kant van de besluitvorming - allereerst de vraag te worden beantwoord of het Uwv voldoende gemotiveerd de stelling van appellant heeft weersproken, dat de arts Van den Boogard ten tijde van het primair verzekeringsgeneeskundig onderzoek, geen geregistreerde verzekeringsarts was. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. De in beroep aangevoerde, en in hoger beroep gehandhaafde en wederom niet nader onderbouwde stelling van het Uwv dat Van den Boogard zowel een geregistreerde verzekeringsarts als bedrijfsarts is, acht de Raad nu deze arts zich als ‘adviserend arts’ aanduidt, niet toereikend.
4.1.2. Zoals blijkt uit de uitspraken van de Raad van 18 juli 2007 (LJN BA9904, 9905, 9908, 9909 en 9910) kan aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. Registratie als verzekeringsarts staat in beginsel borg voor een zekere kwaliteit. Zolang die registratie nog niet heeft plaatsgevonden, kan er in beginsel niet van worden uitgegaan dat het onderzoek van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts diezelfde kwaliteit bezit. Een dergelijk gebrek kan echter in de bezwaarfase worden hersteld, indien in die fase een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerde arts. Een (nieuw) lichamelijk onderzoek zal daarbij niet steeds noodzakelijk zijn, maar tegelijk zal in die fase van de besluitvorming als regel dossieronderzoek niet volstaan.
4.1.3. Onder verwijzing naar eerder genoemde uitspraken leidt, het hiervoor gesignaleerde gebrek niet tot de conclusie dat het bestreden besluit in medische zin onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer heeft bij zijn beoordeling kennis genomen van de uitgebreid weergegeven gegevens uit de anamnese, neergelegd in het rapport van Van den Boogard. Hieruit blijkt naar het oordeel van de Raad onder meer dat appellant destijds al jaren niet meer onder psychiatrische behandeling stond, dat zijn claimklachten psychisch van aard waren en dat door appellant lichamelijke klachten niet danwel onvoldoende kenbaar zijn gemaakt. Gelet hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts af kunnen zien van lichamelijk onderzoek van appellant.
4.2. In hoger beroep is voorts namens appellant aangevoerd dat door de artsen van het Uwv, in het kader van de onderhavige herbeoordeling, ten onrechte geen informatie bij de behandelend psychiater Jessurun is opgevraagd en dat -mede- daardoor bij deze artsen, ten tijde van de vaststelling van de psychische beperkingen van appellant, de ernst van zijn psychische klachten onvoldoende inzichtelijk was. Dit heeft er volgens appellant toe geleid dat zijn psychische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid zijn onderschat.
4.3. De Raad heeft appellant in de gelegenheid gesteld dit standpunt nader te onderbouwen door het overleggen van medische gegevens met betrekking tot appellants psychische gezondheid in of omstreeks augustus 2006. Appellant heeft in reactie op het verzoek van de Raad een rapport van 13 juli 2009 van psychiater Jessurun overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat appellant per de datum in geding meer psychisch beperkt was dan door de artsen van het Uwv is aangenomen. Met het Uwv is de Raad echter van mening dat uit het rapport van de psychiater niet valt af te leiden dat zijn bevindingen en diagnosestelling betrekking hebben op de datum in geding. Gelet op de wijze waarop de tekst van het rapport is geformuleerd en het gegeven dat door de psychiater gesproken wordt over een 50 jarige man, dit terwijl appellant in 1959 is geboren en in 2006 deze leeftijd nog niet had bereikt, is de Raad van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de bevindingen van de psychiater betrekking hebben op de in de onderhavige zaak van belang zijnde datum. Voorts ziet de Raad onder verwijzing naar hetgeen bezwaarverzekeringsarts de Brouwer daaromtrent gemotiveerd heeft gesteld, in de door de psychiater beschreven bevindingen uit het psychiatrisch onderzoek, niet een onderbouwing van de gestelde ernstige psychiatrische stoornis.
4.4. De door appellant ingebrachte informatie van instituut Psychosofia is, anders dan appellant heeft aangevoerd door de bezwaarverzekeringsdeskundige wel degelijk bij zijn beoordeling meegewogen. Uit het rapport van 4 december 2006 blijkt dat deze arts van de inhoud van het rapport kennis heeft genomen, maar hierin geen aanleiding heeft gezien zwaardere beperkingen bij appellant aan te nemen. De medische adstructie van dit instituut bevat - zo concludeert de Raad - geen objectieve gegevens die leiden tot twijfel aan het medische oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.
4.5. De door appellant overgelegde uitdraai uit het huisartsenjournaal en de informatie over medicatie bieden evenmin voldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Uit deze stukken is immers niet af te leiden dat appellant op de datum in geding, meer danwel anderszins beperkt was dan in de eerder genoemde FML.
4.6. Ten aanzien van de stelling dat door het Uwv ten onrechte geen urenbeperking bij appellant is aangenomen overweegt de Raad, met de rechtbank, dat de afwezigheid van een urenbeperking uitvoerig door de arts Van den Boogard is gemotiveerd, welke motivering door de bezwaarverzekeringsarts is onderschreven. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.
4.7. Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.6 bestaat naar het oordeel van de Raad geen reden voor een onderzoek door een deskundige.
4.8. Gezien het betoog van de arbeidsdeskundige in zijn rapportage van 21 juni 2006, welk betoog door de bezwaararbeidsdeskundige is onderschreven, bestaat bij de Raad geen twijfel dat appellant met zijn in de Functionele Mogelijkheden Lijst opgenomen beperkingen in staat moet worden geacht de hem geduide functies uit te oefenen. Nu verder door appellant geen gronden zijn aangevoerd die de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit betreffen, concludeert de Raad dat het Uwv de uitkering van appellant terecht, per 24 augustus 2006 heeft ingetrokken.
5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. Er is geen aanleiding om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2010.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) D.E.P.M. Bary.
IvR