ECLI:NL:CRVB:2010:BL5726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.N.A. Bootsma
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding onroerend goed in Suriname
Appellanten ontvingen vanaf 22 maart 2000 bijstand, maar het College blokkeerde de betaling in mei 2006 na een onderzoek naar hun bezit van grond in Suriname. Het College trok vervolgens de bijstand in en vorderde de kosten terug omdat appellanten niet hadden gemeld dat zij over meerdere percelen grond beschikten die hun vermogen overstegen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, waarna appellanten in hoger beroep gingen. De Raad oordeelde dat het College terecht de betaling had geblokkeerd op grond van een gegrond vermoeden dat het recht op bijstand niet bestond. Verder vernietigde de Raad het oordeel van de rechtbank over de intrekking omdat deze buiten de rechtsstrijd trad, en beoordeelde zelf het beroep.
De Raad stelde vast dat de percelen grond formeel op naam van appellanten stonden en dat zij niet hadden aangetoond dat zij hier niet over konden beschikken. Hierdoor was sprake van schending van de inlichtingenverplichting en was het College bevoegd om de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De Raad verwierp het betoog dat de terugvordering een strafmaatregel was of dat sprake was van schending van de redelijke termijn.
De Raad verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond, bevestigde de terugvordering en bepaalde dat het College het betaalde griffierecht aan appellanten vergoedt.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van bijstand wordt ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd.