ECLI:NL:CRVB:2010:BL4434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.B.J. van der Ham
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij WWB-uitkering
Appellanten waren werkzaam in ID-banen bij een stichting die loonkostensubsidie ontving van het College van burgemeester en wethouders van Utrecht. Na het vervallen van het Besluit in- en doorstroombanen per 1 januari 2004, trad de Wet werk en bijstand (WWB) in werking, waarna het College een Reïntegratieverordening vaststelde.
Appellanten kregen op basis van deze verordening een opstapbaan toegekend, maar het College beëindigde de loonkostensubsidie uiterlijk per 1 juli 2005. Appellanten kregen daarna een uitkering krachtens de WWB vanaf 1 januari 2007. Zij maakten bezwaar tegen het besluit van het College om hun bezwaar ongegrond te verklaren en gingen in beroep bij de rechtbank, die hen niet-ontvankelijk verklaarde wegens ontbreken van een rechtens te honoreren belang.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze niet-ontvankelijkheid. De Raad stelt dat appellanten sinds 1 januari 2007 niet meer tot de doelgroep van de Reïntegratieverordening behoren en daarom geen belanghebbenden zijn die aanspraak kunnen maken op opstap- of vangnetbanen. Hierdoor kan het beroep geen gunstiger resultaat opleveren. De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.