ECLI:NL:CRVB:2010:BL4238

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1530 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.11 Wet studiefinanciering 2000Art. 6.14 Wet studiefinanciering 2000Artikel XXI, eerste lid, Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring hoger beroep tegen besluit draagkracht vaststelling studiefinanciering

Betrokkene verzocht appellant om bij de vaststelling van zijn terugbetalingsverplichting over 2008 rekening te houden met zijn draagkracht. Appellant stelde het maandelijks te betalen bedrag vast op basis van het verzamelinkomen in het peiljaar 2006. Betrokkene maakte bezwaar en vroeg om berekening op basis van besteedbaar inkomen vanwege schulden en ziekte. Het bezwaar werd op 1 april 2008 ongegrond verklaard.

De rechtbank vernietigde dit besluit omdat appellant onvoldoende onderzoek zou hebben gedaan naar de problematiek van betrokkene en het beroep op de hardheidsclausule onterecht had afgewezen. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat de draagkracht conform wettelijke bepalingen was vastgesteld en dat de hardheidsclausule geen toepassing vond.

De Raad stelde vast dat appellant de draagkracht correct had vastgesteld en dat de hardheidsclausule niet leidt tot uitzonderingen indien de wettelijke bepaling in overeenstemming is met de bedoeling en strekking van de wet. De financiële situatie en ziekte van betrokkene rechtvaardigden geen uitzondering. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 1 april 2008 wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

09/1530 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 maart 2009, 08/776 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)
en
De Hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna de IB-Groep).
Datum uitspraak: 12 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van deze wet treedt in dit geding de appellant in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens de IB-Groep verstaan.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2009. Voor appellant is verschenen mr. M. van der Toorn. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door A.T.M. Hilhorst.
II. OVERWEGINGEN
1. Betrokkene heeft aan appellant verzocht bij de vaststelling van zijn terugbetalingsverplichting over 2008 rekening te houden met zijn draagkracht. Appellant heeft dit verzoek gehonoreerd en voor betrokkene het maandelijks te betalen bedrag op basis van zijn verzamelinkomen in het peiljaar 2006 vastgesteld op € 174,54. Betrokkene heeft tegen deze vaststelling bezwaar gemaakt en, onder verwijzing naar zijn andere schulden en zijn gezondheidstoestand, aan appellant verzocht bij de berekening uit te gaan van zijn besteedbaar inkomen. Appellant heeft de bezwaren bij besluit van
1 april 2008 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 1 april 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen. Tevens is een beslissing gegeven over het griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat de draagkracht van betrokkene weliswaar in overeenstemming met de artikelen 6.11 en 6.14 van de Wet studiefinanciering 2000 is vastgesteld, maar het besluit van 1 april 2008 niettemin vernietigd omdat dat niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant het beroep op de hardheidsclausule namelijk afgewezen zonder dat hij ervan blijk heeft gegeven dat betrokkenes problematiek nader is onderzocht.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat betrokkene bij het maken van een aflosplan ter zake van een schuld aan ABN-AMRO klaarblijkelijk onvoldoende rekening heeft gehouden met de aflossingsverplichting aan appellant. Daarbij is opgemerkt dat de draagkrachtmetingsregeling een zeer coulante regeling is en dat bij de berekening conform de bedoeling van de wetgever rekening is gehouden met betrokkenes verzamelinkomen en niet met zijn besteedbaar inkomen. Voor toepassing van de hardheidsclausule heeft appellant geen aanleiding gezien.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat appellant de draagkracht van betrokkene in overeenstemming met de wettelijke bepalingen heeft vastgesteld.
4.3. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat voor vernietiging van het besluit van 1 april 2008 geen plaats is. De Raad wijst er in dit verband op dat, zoals ook in het besluit van 1 april 2008 is vermeld, de hardheidsclausule er niet toe kan leiden dat een uitzondering wordt gemaakt op een wettelijke bepaling, indien toepassing van die bepaling in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet.
Appellant heeft de omstandigheden van betrokkene in ogenschouw genomen en in het besluit aangegeven dat in het geval van betrokkene geen sprake is van (zeer) bijzondere individuele omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.
De afwijzing van het beroep op de hardheidsclausule is, gegeven het uitgangspunt bij de beoordeling, daarmee naar het oordeel van de Raad voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en tevens voldoende gemotiveerd.
De door betrokkene geschetste financiële situatie en zijn stelling dat hij, mede als gevolg van zijn ziekte, de opeenstapeling van schulden ervaart als een bijzonder zware last, doet er niet aan af dat de wettelijke bepaling is toegepast in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet.
4.4. Hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 1 april 2008 ongegrond verklaren.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 april 2008 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2010.
(get.) G. van der Wiel
(get.) A.C.A. Wit
EF