ECLI:NL:CRVB:2010:BL2918
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- A.J. Schaap
- Rechtspraak.nl
Grondslag berekening periodieke WUV-uitkering strikt gebaseerd op inkomen bij intreden invaliditeit
Appellant, geboren in 1936, vroeg in 2007 erkenning als vervolgde en toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Na aanvankelijke afwijzing werd hem alsnog een uitkering toegekend, berekend op basis van het inkomen uit zijn beroep als 3e graads docent voorafgaand aan zijn afkeuring in 1987.
Appellant voerde aan dat de grondslag had moeten worden vastgesteld op het niveau van 2e graads docent, omdat hij door psychische klachten veroorzaakt door kampervaringen tijdens de Japanse bezetting niet in staat was deze opleiding te voltooien. Verweerster stelde dat onvoldoende gegevens bestonden om dit te concluderen en dat de Wet strikt voorschrijft dat de grondslag gebaseerd moet zijn op het inkomen ten tijde van het intreden van de invaliditeit, zonder rekening te houden met mogelijke latere inkomstenvermeerdering.
De Raad oordeelde dat artikel 8 van Pro de Wet duidelijk bepaalt dat de grondslag wordt vastgesteld op het inkomen uit het laatstelijk uitgeoefende beroep ten tijde van de aanvraag, zonder correctie voor hypothetische toekomstige inkomsten. Hierdoor was het bestreden besluit rechtmatig en kon het beroep van appellant niet worden gehonoreerd.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de motivering van het besluit appellant op het verkeerde been had gezet en veroordeelde verweerster tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de grondslag voor de uitkering blijft gebaseerd op het inkomen ten tijde van het intreden van de invaliditeit.