ECLI:NL:CRVB:2010:BL2871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing terugwerkende verhoging tegemoetkoming studiefinanciering
Appellante vroeg in 2005 een tegemoetkoming studiefinanciering aan die vanaf 1 januari 2006 werd toegekend. In februari 2007 verzocht zij om verhoging van deze tegemoetkoming vanwege een gewijzigde woonsituatie, welke verhoging werd toegekend met ingang van die datum. Appellante maakte bezwaar tegen het besluit en stelde dat zij al vanaf 1 januari 2006 recht had op de verhoging, omdat zij toen feitelijk niet meer thuis woonde maar in pleeggezinnen verbleef.
De rechtbank oordeelde dat appellante vanaf 1 februari 2007 aanspraak kon maken op de verhoging en vernietigde het besluit van 15 juni 2007. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt vast dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vóór 21 februari 2007 een aanvraag tot verhoging heeft ingediend, zoals vereist op grond van artikel 4.10, derde lid, van de Wtos.
Hoewel de Raad erkent dat appellante in 2006 en 2007 feitelijk niet bij haar moeder woonde, is niet gebleken dat het voor haar onmogelijk was om een aanvraag in te dienen of bezwaar te maken tegen de toekenningsbesluiten. De wisselende verblijfplaats in pleeggezinnen en de moeilijkheid om op een ander GBA-adres te worden ingeschreven, rechtvaardigen geen afwijking van de wettelijke regeling. Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verhoging van de tegemoetkoming wordt niet met terugwerkende kracht vóór 1 februari 2007 toegekend.