ECLI:NL:CRVB:2010:BL2800

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3633 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek herziening WAZ-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV tot toekenning van een WAZ-uitkering met ingang van 20 december 2004, waarbij een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% werd vastgesteld. Na vernietiging van het eerdere besluit door de rechtbank Middelburg werd het bezwaar gegrond verklaard en de uitkering toegekend.

Appellant verzocht vervolgens om terug te komen van dit besluit, stellende dat er evidente gebreken waren en dat het UWV in redelijkheid geen gebruik had kunnen maken van de bevoegdheid om het besluit niet te herzien. Tevens voerde appellant aan dat het UWV ten onrechte geen onderscheid had gemaakt tussen verleden en toekomst bij deze duuraanspraak.

De Raad oordeelt dat het verzoek tot herziening terecht is afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die herziening rechtvaardigen. Ook is het oordeel van het UWV dat geen onderscheid gemaakt hoeft te worden tussen verleden en toekomst bij duuraanspraken juist. De Raad bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het besluit tot toekenning van een WAZ-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

08/3633 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 16 mei 2008, 07/1032
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.P. Quist, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Na toestemming van beide partijen heeft de Raad besloten een onderzoek ter zitting achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij uitspraak van 18 oktober 2005 heeft de rechtbank Middelburg het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv tot handhaving van de weigering een WAZ-uitkering toe te kennen per 19 december 2004 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Hierbij heeft zij overwogen dat het Uwv terecht is uitgegaan van een urenomvang van de maatman van 40 per week, maar dat ten onrechte niet is uitgegaan van het daadwerkelijke aantal gewerkte weken per jaar.
1.2. Tegen deze uitspraak hebben partijen geen beroep ingesteld.
1.3. Bij besluit op bezwaar van 3 juli 2006 heeft het Uwv, ter uitvoering van bovengenoemde uitspraak van de rechtbank, het bezwaar van appellant gegrond verklaard en aan appellant een WAZ-uitkering toegekend met ingang van 20 december 2004 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
1.4. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.
2.1. Bij brief van 10 april 2007 heeft appellant verzocht om terug te komen van het besluit van 3 juli 2006.
2.2. Het Uwv heeft dit geweigerd bij besluit van 3 mei 2007.
2.3. Bij besluit van 5 september 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.
2.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 5 september 2007 ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij, kort samengevat, overwogen dat de rechtbank, gelet op de jurisprudentie van de Raad ten aanzien van herzieningsverzoeken op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), slechts dient te beoordelen of appellant nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, die het Uwv hadden moeten nopen om terug te komen van het besluit van 3 juli 2006. Aan beoordeling van de door appellant gestelde evidente onjuistheid van het besluit van 3 juli 2006 komt de rechtbank dan ook niet toe. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de stellingen van appellant ten aanzien van de urenomvang van de maatman en de hoogte van de winst niet zijn op te vatten als nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht geen onderscheid heeft gemaakt naar het verleden en de toekomst omdat appellant in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarbij zij heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 19 februari 2008
(LJN BC4830).
2.5. In hoger beroep heeft appellant de in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald. Hij heeft nogmaals gesteld dat, nu er evidente gebreken kleven aan het besluit van 3 juli 2006 ten aanzien van het maatmaninkomen en er geen derdenbelanghebbenden zijn, terwijl appellant een groot financieel belang heeft bij heroverweging, het Uwv in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Voorts heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 19 februari 2008 (LJN BC4830) ten aanzien van het onderscheid naar verleden en de toekomst bij duuraanspraken.
3.1. De Raad is, met de rechtbank en op dezelfde gronden van oordeel dat het Uwv terecht de afwijzing van het verzoek heeft gehandhaafd onder de overweging dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Ten aanzien van de stelling van appellant dat het Uwv onderscheid had moeten maken naar het verleden en de toekomst, nu het gaat om een duuraanspraak, is de Raad met de rechtbank, en op dezelfde gronden, van oordeel dat het Uwv terecht geen onderscheid heeft aangebracht. De Raad stelt zich dan ook achter de strekking en de overwegingen van de aangevallen uitspraak en maakt deze tot de zijne.
3.2. Naar het oordeel van de Raad slaagt het hoger beroep niet.
3.3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2010.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M.A. van Amerongen.
TM