ECLI:NL:CRVB:2010:BL0375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering na vaststelling vermogen na boedelscheiding
Appellante ontving sinds 27 maart 2003 bijstand als alleenstaande ouder. Na een boedelscheiding in januari 2006 werd een bedrag van €29.500 aan haar toebedeeld. Het College stelde het vermogen vast en vorderde bijstandkosten terug over de periode 27 maart 2003 tot 7 augustus 2004. Na bezwaar werd het terugvorderingsbedrag aangepast.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat het College een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van haar uitspraak. Het College beperkte daarop de terugvordering tot de periode 27 maart 2003 tot 15 februari 2004 en stelde het bedrag vast op €10.181,93. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit nieuwe besluit ongegrond, omdat de eerder beoordeelde gronden niet konden worden heropend.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het College tweemaal rekening hield met de ontvangen alimentatie en dat haar leenbijstand had moeten worden verleend, zodat terugvordering netto had kunnen plaatsvinden. De Raad overwoog dat de vaststelling van het vermogen na boedelscheiding reeds onaantastbaar was en dat de vorm van bijstand destijds niet ter discussie was gesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en deed de uitspraak in het openbaar op 19 januari 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.