ECLI:NL:CRVB:2010:BL0360

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6435 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33a WUBOArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot uitbreiding vergoeding huishoudelijke hulp onder WUBO

Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer, vroeg om een verhoging van de vergoeding voor huishoudelijke hulp van vier naar acht uur per week. Verweerster wees dit verzoek af op grond van medische en sociale rapportages die aangaven dat appellant weliswaar beperkingen ondervindt bij zwaar huishoudelijk werk, maar nog in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten.

De Raad beoordeelde het bestreden besluit en concludeerde dat het standpunt van verweerster voldoende was gemotiveerd en gebaseerd op recente adviezen van geneeskundig adviseurs. De rapportages gaven een gedetailleerd beeld van de beperkingen van appellant, zonder aanwijzingen dat deze onvolledig of onjuist waren.

Gezien het feit dat appellant lichte huishoudelijke taken zoals stofzuigen, boodschappen doen en afwassen nog kon uitvoeren, was er geen grond voor een vergoeding van meer dan de toegekende vier uur. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor meer dan vier uur huishoudelijke hulp per week wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

08/6435 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 14 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 16 oktober 2008, kenmerk BZ 8539, JZ/F70/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2009. Voor appellant is daar verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1932, is door verweerster in 2002 erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Appellant heeft naar aanleiding van zijn aanvraag van augustus 2007 van verweerster bij besluit van 19 december 2007, voor zover hier van belang, een vergoeding voor 4 uur huishoudelijke hulp per week toegekend gekregen.
1.2. In januari 2008 heeft appellant verweerster verzocht om de hem voor huishoudelijke hulp verleende vergoeding te verhogen naar 8 uur per week.
Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 12 juni 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat appellant nog in staat is om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten en dat bij appellant ook geen sprake is van chaotisch gedrag in het huishouden of van zelfverwaarlozing, zodat geen aanleiding bestaat voor een vergoeding van méér uren huishoudelijke hulp dan de al toegekende 4 uren per week.
1.3. In bezwaar en beroep is namens appellant het standpunt van verweerster bestreden. Aangevoerd is dat dit standpunt berust op een onzorgvuldige voorbereiding en mede daardoor onvoldoende is gemotiveerd.
2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.
2.1. Blijkens de gedingstukken berust het standpunt van verweerster op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen zijn tot stand gekomen op basis van een in maart 2008 over de leefsituatie van appellant opgemaakt aanvullend sociaal rapport en een rapport van medisch onderzoek van appellant door de geneeskundig adviseur G.M. van der Molen in november 2007, waarbij informatie uit de behandelende sector is betrokken. In die adviezen is in detail gemotiveerd neergelegd dat uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat appellant op grond van het geheel van zijn gezondheidsklachten beperkingen ondervindt bij het zware huishoudelijke werk maar niet buiten staat is om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Verder is aangegeven dat uit het rapport van het medisch onderzoek van november 2007, dat werd ingesteld op grond van de eerdere aanvraag van appellant, blijkt dat uitvoerig aandacht is besteed aan het algeheel functioneren van appellant, ook in zijn huishouding, zodat voor een nader medisch onderzoek geen aanleiding bestond.
2.2. De Raad acht het standpunt van verweerster op grond van de voormelde medische adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd. De medische en sociale rapportages zijn van recente datum en daarin wordt uitvoerig ingegaan op de beperkingen die appellant ervaart bij het verrichten van huishoudelijk werk. In hetgeen namens appellant is aangevoerd is geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat de in deze rapportages opgenomen observaties onvolledig of onjuist zouden zijn. In die rapportages zijn ook de activiteiten genoemd die als licht huishoudelijk werk worden gezien, zoals stofzuigen, boodschappen doen, opruimen en afwassen. Nu appellant zodanige lichte werkzaamheden nog kon verrichten, heeft verweerster op goede gronden geen aanleiding gezien om een vergoeding te geven voor méér uren dan de gebruikelijke 4 uren bij onvermogen om zwaar huishoudelijk hulp te verrichten. Dat verweerster die 4 uren eerder al, op basis van de verruiming in artikel 33a van de Wet en het gevoerde begunstigende beleid ten aanzien van personen van 70 jaar en ouder, zónder medische toets aan appellant had toegekend, doet hieraan niet af.
3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de onder 2 geformuleerde vraag bevestigend wordt beantwoord, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M.A. van Amerongen.
HD