ECLI:NL:CRVB:2010:BL0213

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6696 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende directe betrokkenheid

Appellant, geboren in 1944 te Semarang, vroeg erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten door oorlogservaringen in voormalig Nederlands-Indië. Hij baseerde zijn aanvraag onder meer op zijn geboorte uit een gedwongen relatie van zijn moeder met een Japanner en het meemaken van vrijheidsberoving en ongeregeldheden tijdens de Bersiap-periode.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij direct getroffen was door oorlogsgeweld zoals vereist in de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. De Raad stelde dat algemene oorlogsomstandigheden en de achtergrond van appellant niet kwalificeren als directe handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter.

Na onderzoek, waaronder archiefstudie en toetsing van verklaringen van broers, concludeerde de Raad dat appellant niet direct betrokken was bij calamiteiten tijdens de Bersiap-periode. Het buitenkamp Halmaheira bleek een opvangkamp, geen interneringskamp. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoeding af.

De uitspraak bevestigt dat erkenning als burger-oorlogsslachtoffer strikt gebonden is aan specifieke, direct gerichte oorlogsgeweldshandelingen en niet aan algemene oorlogsomstandigheden of afgeleide persoonlijke omstandigheden.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer gehandhaafd.

Uitspraak

08/6696 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 14 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 13 november 2008, kenmerk BZ 8541, JZ/B60/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2009. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren op [in] 1944 te Semarang in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in januari 2008 een aanvraag ingediend onder meer ertoe strekkende om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. In dat verband heeft appellant aangevoerd dat hij ten gevolge van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië gezondheidsklachten heeft gekregen.
1.2. Bij besluit van 11 juni 2008, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, aangezien in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.
2. De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.
2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:
degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen
- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct
verbonden handelingen of omstandigheden;
- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door
de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de
Bersiapperiode;
- ten gevolge van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de
Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de
Bersiapperiode.
2.2. Als oorlogservaringen heeft appellant vooral naar voren gebracht de omstandigheid dat hij is geboren uit de gedwongen relatie van zijn moeder met een Japanner, alsmede zijn vrijheidsberoving in het buitenkamp Halmaheira tijdens de Japanse bezetting en het meemaken van ernstige ongeregeldheden - waaronder met name een, nu door enkele broers van appellant genoemde, op hen gerichte beschieting tijdens een reis naar Java in 1947 - tijdens de Bersiap-perode.
2.3. De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid onder a en b, of f, van de Wet. Hieruit volgt dat de ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe appellant behoorde heeft ervaren ten gevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiap-periode niet op zichzelf al tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden.
2.4. De omstandigheid dat appellant is geboren uit een gedwongen relatie van zijn moeder met een Japanner is - hoezeer ook invoelbaar is dat deze achtergrond het gehele leven van appellant heeft beïnvloed - niet aan te merken als een tegen hem gerichte handeling of maatregel van de Japanse bezetter van het voormalige Nederlands-Indië. Van belang daarbij is dat de Wet de beperkte strekking heeft als onder 2.1 genoemd, hetgeen meebrengt dat erkenning als burger-oorlogsslachtoffer gebonden is aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.
2.5. Gelet op de resultaten van het door verweerster ingestelde, zorgvuldig te noemen onderzoek, waarbij onder meer archieven en algemene historische documenten over de situatie te Semarang en bij verweerster bekende dossiers van (oudere) broers van appellant zijn geraadpleegd, is ook voor de Raad onvoldoende aannemelijk geworden dat appellant in persoon direct betrokken is geweest bij calamiteiten tijdens de Bersiap-periode. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat blijkens de voorhanden zijnde historische gegevens het buitenkamp Halmaheira een zogenoemd opvangkamp en geen interneringskamp was. Verder heeft de Raad laten wegen dat de hiervoor bedoelde broers van appellant bij hun eigen aanvragen op grond van de Wet geen melding hebben gemaakt van het schietincident tijdens de reis naar Java, doch alleen in algemene zin over ongeregeldheden hebben gesproken.
3. Uit een en ander volgt dat de door appellant genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M.A. van Amerongen.
HD