ECLI:NL:CRVB:2010:BK9669

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/4453 WAO + 07/6206 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WAO-uitkering na medische beoordeling en bezwaar

Appellant maakte bezwaar tegen de verlaging van zijn WAO-uitkering door het UWV, waarbij de arbeidsongeschiktheidsklasse werd vastgesteld op 25-35% per 29 december 2005. De rechtbank vernietigde het oorspronkelijke besluit vanwege onvoldoende arbeidskundige motivering en beval een hernieuwde beslissing. Het UWV verlaagde daarop opnieuw de uitkering met een onderbouwd besluit.

De medische beoordeling, waaronder een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld door de bezwaarverzekeringsarts, vormde het centrale punt van geschil. Appellant voerde een medische beroepsgrond aan, maar kon geen overtuigende nieuwe medische informatie overleggen naast de FML van juni 2008, die teruggrijpt op eerdere beoordelingen zonder voldoende onderbouwing.

De Raad volgde de bezwaarverzekeringsarts en oordeelde dat de eerdere FML geen doorslaggevende betekenis heeft vanwege de te ruime beperkingen die zonder voldoende medische basis waren vastgesteld. De Raad achtte de geschiktheid van appellant voor de voorgestelde functies voldoende onderbouwd en zag geen noodzaak om het beroep gegrond te verklaren. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlaging van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit van 6 november 2007 bevestigd.

Uitspraak

07/4453 en 07/6206 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2007, 06/3092 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant stelde mr. P. Goettsch, advocaat in Amsterdam, hoger beroep in, vulde de gronden aan met brieven van 6 mei 2008 en 14 juli 2009, en overlegde met een brief van 3 november 2008 nieuwe stukken.
Het Uwv voerde verweer en nam een besluit van 6 november 2007 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.
De zitting vond plaats op 14 augustus 2009. Mr. M.H.A.H. Smithuysen vertegenwoordigde het Uwv en voor appellant verscheen mr. Goettsch.
Na heropening van het onderzoek antwoordde het Uwv op vragen van de Raad en verwees daarbij naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 15 september 2009. Appellant reageerde hier schriftelijk op en het Uwv antwoordde met een brief van 4 december 2009, waarop appellant schriftelijk reageerde.
De meervoudige kamer verwees de zaak naar de enkelvoudige kamer. De vervolgzitting vond plaats op 11 december 2009. Appellant verscheen niet, namens het Uwv verscheen F.M.J. Eijmael.
II. OVERWEGINGEN
1. Met zijn besluit van 21 maart 2007 verlaagde het Uwv de op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toegekende uitkering en herriep zijn besluit tot de beëindiging van die uitkering. Hij deelde appellant per 29 december 2005 in in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25-35%.
2.1. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit van21 maart 2007 en gaf het Uwv de opdracht om opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant. De rechtbank vond namelijk de arbeidskundige motivering van het bestreden besluit te kort schieten.
2.2. Het besluit van 6 november 2007 verlaagt opnieuw de WAO-uitkering van appellant per 29 december 2005 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
3.1. De rechtbank kon zich verenigen met de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en verwierp de door appellant opgeworpen medische beroepsgrond. Daartegen richt zich het hoger beroep.
3.2. Het beroep richt zich ingevolge artikel 6:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht ook tegen het besluit van 6 november 2007.
4.1. Naar het oordeel van de Raad verwierp de rechtbank terecht de medische beroepsgrond.
4.2. De verzekeringsarts onderzocht appellant op 4 juli 2005 op zijn spreekuur. In verband met spataderen, duizeligheid en koudegevoeligheid gaat hij uit van het bestaan van arbeidsbeperkingen, die hij omschreef in de FML van 25 oktober 2005. De bezwaarverzekeringsarts zag geen aanleiding voor verdergaande beperkingen met de motivering:
“Gelet op het ontbreken van evident ernstige aandoeningen werd in ruime mate rekening gehouden met de subjectieve klachtenbeleving”.
4.3. Hier tegenover stelde appellant, behalve de FML van 12 juni 2008, geen andersluidende medische informatie.
4.4. De FML van 12 juni 2008 grijpt terug op de beoordeling per 4 mei 2003. De Raad kan de bezwaarverzekeringsarts volgen dat die FML geen doorslaggevende betekenis toekomt, omdat die lijst per vergissing teruggrijpt op de eerder zonder afdoende medische onderbouwing te fors aangezette beperkingen.
5.1. De geschiktheid van de appellant voorgehouden functies is thans voldoende onderbouwd.
5.2. De Raad laat de stelling dat twee van de zeven geduide functies voor appellant niet toegankelijk zijn vanwege de in die functies aan de leesvaardigheid gestelde eisen onbesproken, want als deze vervallen, heeft dat geen gevolg voor de indeling in de klasse 25-35%.
6. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 november 2007 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2010.
(get.) R.C. Stam.
(get.) A.E. van Rooij.
JL