ECLI:NL:CRVB:2010:BK8612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- A.A.H. Schifferstein
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering en toeslag wegens inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden
Appellant ontving sinds 1999 een WAO-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Na een onderzoek door het UWV naar vermeende werkzaamheden voor zijn eenmanszaak, werd vastgesteld dat appellant sinds 2001 circa tien uur per week werkzaamheden verrichtte, waaronder klantcontact, toezicht op personeel en administratieve taken.
Het UWV besloot per 1 februari 2006 de WAO-uitkering en toeslag over de periode 1 januari 2002 tot 1 januari 2004 stop te zetten en de onverschuldigd betaalde bedragen van ruim €32.000 terug te vorderen. De rechtbank verklaarde de bezwaren van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij geen zelfstandige werkzaamheden verrichtte en dat het UWV onjuist had berekend.
De Raad overweegt dat het UWV zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, mede op basis van een frauderapport en belastinggegevens, waaruit blijkt dat appellant inkomsten uit onderneming had. De Raad bevestigt dat de vastgestelde inkomsten terecht zijn meegenomen bij de beoordeling van het recht op WAO-uitkering en toeslag. Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de terugvordering gehandhaafd.
De Raad acht geen gronden aanwezig om het UWV in de proceskosten te veroordelen. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van WAO-uitkering en toeslag bevestigd.