Appellant, werkzaam als politieambtenaar bij de politieregio Hollands Midden, werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim en integriteitsschendingen. Na een disciplinair onderzoek volgden meerdere besluiten waaronder schorsing en uiteindelijk ontslag. Het ontslag was gebaseerd op gedragingen zoals het proberen beïnvloeden van een collega om een bekeuring te seponeren, onjuiste werktijdregistratie, ongeoorloofd meenemen van een dienstauto en conflicten tijdens een incident.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het ontslagbesluit opgeschort zou zijn door het instellen van rechtsmiddelen en dat zijn verzoek tot herstel van het dienstverband niet ontvankelijk was. De Raad overwoog dat het ontslagbesluit rechtsgeldig was en dat het ontslag geen aparte tenuitvoerlegging vereiste, conform vaste rechtspraak. Het verzoek tot herstel van het dienstverband was daarom ongegrond.
De Raad oordeelde dat het plichtsverzuim ernstig was en dat appellant niet handelde zoals van een goed politieambtenaar verwacht mocht worden. De eerdere waarschuwing en de ernst van de gedragingen maakten het ontslag proportioneel. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag van appellant bevestigd.
Uitspraak
08/3773 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 mei 2008, 07/118 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Korpsbeheerder van de politieregio Hollands Midden (hierna: korpsbeheerder)
Datum uitspraak: 24 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. G.E. Treffers en mr. E. Jansen, beiden werkzaam bij de politieregio Hollands Midden.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij de politieregio Hollands Midden.
1.2. Nadat in opdracht van de korpschef een disciplinair onderzoek naar appellant was ingesteld en van de bevindingen daarvan rapport was uitgebracht, heeft de korpsbeheerder appellant bij besluiten van 26 oktober 2005 (hierna: besluiten 1 en 2) buiten functie gesteld en hem de toegang tot de bureaus in de regio ontzegd, dit kennelijk met toe-passing van artikel 73, eerste lid, en artikel 84, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).
1.3. Nadat appellant zijn zienswijze over het voornemen daartoe had gegeven, heeft de korpsbeheerder hem bij besluit van 23 januari 2006 (hierna: besluit 3) op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder c, van het Barp geschorst in het belang van de dienst.
1.4. Nadat appellant ook zijn zienswijze over het voornemen daartoe had gegeven, heeft de korpsbeheerder hem bij besluit van 12 april 2006 (hierna: besluit 4) op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, ingaande vier weken nadat dit besluit aan appellant is bekend gemaakt. Subsidiair heeft de korpsbeheerder appellant hierbij ontslag wegens ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan uit hoofde van ziels- of lichaamsgebreken verleend op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp. Aan dit besluit is in het bijzonder ten grondslag gelegd dat appellant heeft geprobeerd een collega ertoe te bewegen een appellant opgelegde bekeuring te seponeren; dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn werktijdregistratie en daarover in strijd met de waarheid heeft verklaard; dat hij in strijd met gemaakte afspraken een dienstauto mee naar huis heeft genomen en dat hij zich conflicterend heeft opgesteld tijdens een incident met de ex-partner van appellants toenmalige partner.
1.5. Bij brief van 23 juni 2006 heeft de korpsbeheerder gereageerd op het verzoek van appellant van 2 juni 2006, onder verwijzing naar artikel 82 vanPro het Barp, om zijn dienstverband te herstellen.
1.6. Bij het bestreden besluit van 20 november 2006 heeft de korpsbeheerder de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 tot en met 4 ongegrond verklaard en zijn bezwaar tegen de brief van 23 juni 2006 niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. De handhaving van besluiten 1, 2 en 3
3.1.1. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de korpsbeheerder op goede gronden tot het nemen van deze besluiten is gekomen. Daarbij is in het bijzonder van belang dat uit het rapport van het disciplinaire onderzoek naar voren kwam dat appellant zich aan gedrag had schuldig gemaakt dat als ernstig plichtsverzuim leek te kwalificeren. De korpsbeheerder kon zich op grond hiervan met recht op het standpunt stellen dat appellant in afwachting van verdere besluitvorming feitelijk niet in zijn functie kon worden gehandhaafd. Dat het onderzoek nog niet geheel was afgerond, maakt dit niet anders. Immers, indien het onderzoek al wel volledig was afgerond, had in beginsel al (meer) definitieve besluitvorming kunnen plaatsvinden.
3.2. De handhaving van besluit 4
3.2.1. De Raad stelt allereerst vast dat appellant heeft erkend dat hij een collega zo ver heeft proberen te krijgen een appellant opgelegde bekeuring voor een snelheidsover-treding met zijn auto ongedaan te maken. Het betreft hier onmiskenbaar een ernstig plichtsverzuim.
3.2.2. Op zondag 16 oktober 2005 was appellant ingeroosterd voor de dienst in het districtsgebouw te [plaatsnaam] Hij heeft voor die dag acht werkuren geregistreerd. Naar hij stelt heeft hij deze uren ook gewerkt. De korpsbeheerder bestrijdt dat. Daartoe heeft hij erop gewezen dat geen van de collega’s die op 16 oktober 2005 te [plaatsnaam] werkzaam waren appellant daar toen heeft gezien. Bovendien is gebleken dat de toegangspas van appellant op die dag in het geheel niet is gebruikt. De stelling van appellant dat hij met een jonge, hem niet bekende collega is meegelopen, is door de korpsbeheerder van de hand gewezen reeds omdat op 16 oktober 2005 geen collega’s jonger dan 50 jaar te [plaatsnaam] hebben gewerkt. Gezien deze overwegingen van de korpsbeheerder en de resultaten van het onderzoek acht de Raad aannemelijk dat appellant op 16 oktober 2005 in strijd met zijn plicht niet heeft gewerkt. Appellant heeft op dit punt een onjuiste werkregistratie gedaan en onjuiste verklaringen afgelegd.
3.2.3. Appellant betwist niet dat hij op 15 en 16 oktober 2005 een dienstauto mee naar huis heeft genomen. Naar hij echter heeft gesteld berust dit op oude afspraken en is hij al vanaf 1998 gewoon in werkweekeinden een dienstauto mee naar huis te nemen. De korpsbeheerder heeft daarentegen gesteld dat in het coördinatorenoverleg waarvan appellant deel uitmaakte, is afgesproken dat dienstauto’s niet mee naar huis mochten worden genomen, uitgezonderd bijzondere gevallen waarin toestemming is gegeven door de dagcoördinator. De Raad gaat ervan uit dat inderdaad afspraken in deze zin zijn gemaakt nu daarvoor in de resultaten van het onderzoek voldoende steun is te vinden. Daar komt bij dat appellant op 15 en 16 oktober 2005 normaal dagdienst had zodat niet valt in te zien dat het naar huis meenemen van een dienstauto voor de dienst zin zou kunnen hebben.
3.2.4. Ten slotte is voor de Raad op grond van verklaringen van getuigen voldoende vast komen te staan dat appellant op 4 januari 2005 bij een laat bezoek aan de ex-partner van zijn toenmalige vriendin rumoer heeft veroorzaakt en escalerend is opgetreden.
3.2.5. Vorenstaande gedragingen van appellant brengen de Raad tot het oordeel dat appellant ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd. Appellant heeft zich niet gedragen zoals van een goed politieambtenaar mocht worden verwacht en is in integriteit tekort-geschoten. Dit spreekt te meer nu appellant op 8 januari 2002 naar aanleiding van eerdere incidenten een allerlaatste waarschuwing van zijn districtschef heeft gekregen waarbij toekomstig strafontslag niet werd uitgesloten. Onder deze omstandigheden acht de Raad geen grond aanwezig voor het oordeel dat het opgelegde strafontslag onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim.
3.3. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de brief van 23 juni 2006
3.3.1. In artikel 82 vanPro het Barp is bepaald dat de straf, behalve die van schriftelijke berisping, niet ten uitvoer wordt gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Appellant heeft gesteld dat nu het hem opgelegde strafontslag pas na vier weken inging, niet is bevolen dit ontslag onmiddellijk ten uitvoer te leggen als in genoemd artikel 82 bedoeldPro. Volgens appellant brengt dit mee dat het ontslagbesluit is opgeschort door het daartegen instellen van rechtsmiddelen. In dit licht moet zijn verzoek van 2 juni 2006 worden begrepen.
3.3.2. De Raad overweegt dat volgens zijn vaste rechtspraak (CRvB 2 juni 2005, LJN AT7322) de straf van ongevraagd ontslag geen daad of bevel van tenuitvoerlegging vereist buiten en na het besluit waarbij die straf met ingang van een bepaalde datum is opgelegd. Appellant heeft geen enkel argument genoemd dat de Raad aanleiding kan geven van deze rechtspraak terug te komen. Artikel 82 vanPro het Barp mist hier dan ook betekenis. Het ontslag van appellant was ten tijde van zijn verzoek van 2 juni 2006 dus al ingegaan. Voor wedertewerkstelling of herstel dienstverband bestond derhalve geen grond. In de brief van 23 juni 2006 heeft de korpsbeheerder appellant hierover geïnfor-meerd. Niet ten onrechte heeft de korpsbeheerder zich op het standpunt gesteld dat deze brief rechtsgevolg ontbeerde en geen besluit inhield in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bezwaar daartegen is terecht niet-ontvankelijk verklaard.
3.4. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2009.