AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging handhaving benoeming in LB-functie ondanks advies LBC en functiewaarderingsonderzoek
Appellante is sinds 1994 werkzaam bij een regionale scholengemeenschap en werd benoemd in de LB-functie. Zij maakte bezwaar tegen deze benoeming en solliciteerde tevens naar een LC-functie. De Stichting handhaafde de benoeming in de LB-functie, waarop de Landelijke Bezwarencommissie onderwijs inzake functiewaardering (LBC) adviseerde het besluit te herroepen en appellante in de LC-functie te benoemen.
De Stichting liet een onafhankelijk onderzoek uitvoeren door Van Nispen, die concludeerde dat appellante's werkzaamheden niet grotendeels aan het LC-profiel voldeden. Appellante liet een tegenrapport opstellen door Adriaens, dat haar wel in de LC-functie plaatste. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat het rapport van Van Nispen zorgvuldig was en dat het advies van de LBC onvoldoende gemotiveerd was, vooral vanwege tegenstrijdigheden over de feitelijke werkzaamheden van appellante. Ook het rapport van Adriaens kon niet op voldoende waarde worden geschat omdat het niet onafhankelijk was en niet inging op het rapport van Van Nispen.
De Raad wees verder een nieuw aangevoerd standpunt van appellante over een persoonlijke functie af wegens te late inbreng. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de handhaving van de benoeming in de LB-functie gehandhaafd.
Uitkomst: De handhaving van de benoeming van appellante in de LB-functie wordt bevestigd.
Uitspraak
08/3132 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 22 april 2008, 07/428 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Zuidwest-Drenthe (hierna: Stichting)
Datum uitspraak: 24 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Stichting heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. T.G.J. Horlings, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. De Stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. G.J. Heussen, advocaat bij VOS/ABB Consulting te Woerden, [Naam N.], directeur VMBO en voormalig locatiedirecteur [naam locatie], en [Naam F.], hoofd afdeling Personeel.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante is sinds 1994 werkzaam als [naam functie] bij de Regionale Scholengemeenschap [naam scholengemeenschap], locatie [naam locatie]. In het kader van de invoering van het functiewaarderings-systeem VO 2002 heeft de Stichting besloten alle [naam functionarissen] te benoemen in functieschaal LB [functie]. Daarnaast kon worden gesolliciteerd naar de LC-functie [functie B].
1.2. Bij brief van 27 september 2005 heeft de Stichting appellante meegedeeld voornemens te zijn haar met ingang van 1 augustus 2005 te benoemen als [naam functie] in de functieschaal LB. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.
De interne bezwarencommissie heeft geadviseerd het voorgenomen besluit te handhaven.
1.3. Bij besluit van 21 maart 2006 heeft de Stichting overeenkomstig het advies van de interne bezwarencommissie de benoeming van appellante in de LB-functie gehandhaafd. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.4. Appellante heeft voorts gesolliciteerd naar de LC-functie. De Stichting heeft aan appellante meegedeeld dat in afwachting van de uitkomst van het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 21 maart 2006 de sollicitatieprocedure nog niet in gang zal worden gezet. Appellante heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend.
1.5. De Landelijke Bezwarencommissie onderwijs inzake functiewaardering (LBC) heeft de Stichting geadviseerd het besluit van 21 maart 2006 te herroepen. Daaraan heeft de LBC ten grondslag gelegd dat niet deugdelijk is gemotiveerd waarom geen enkele docent in aanmerking komt voor een benoeming als [functie b]. Voorts heeft de LBC vast-gesteld dat de feitelijke werkzaamheden van appellante niet binnen het functieprofiel van een LB-docent passen, omdat zij zich te breed inzet op het terrein van ontwikkeling en onderwijsvernieuwing. Het besluit doet volgens de LBC geen recht aan de feitelijke werkzaamheden van appellante.
1.6. Naar aanleiding van dit advies heeft de Stichting opdracht gegeven tot een onderzoek naar de feitelijke werkzaamheden van appellante. Dit onderzoek is verricht door de deskundige I. van Nispen. Zij heeft geconcludeerd dat de werkzaamheden die door appellante worden verricht geen aanleiding vormen om de functie in LC te waarderen. Mede door de kleinschaligheid van de locatie verricht appellante op onderdelen taken die het niveau van de LB-functie ontstijgen, maar haar werk voldoet volgens Van Nispen niet grotendeels aan het LC-profiel. Appellante heeft in navolging van dit advies een functie-waarderingsrapport laten opstellen door D.L.M.F. Adriaens. Adriaens heeft geadviseerd appellante wel in een LC-functie te plaatsen.
2. Bij besluit van 3 april 2007 is het tegen het besluit van 21 maart 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.
4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de Stichting de conclusies van het onderzoeksrapport van Van Nispen aan het besluit van 3 april 2007 ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij betrekt de Raad dat Van Nispen de beschikking heeft gehad over alle op de zaak betrekking hebbende stukken en daarnaast zowel appellante als de directeur van de school heeft gehoord. Naar het oordeel van de Raad is ook overigens niet gebleken dat het rapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Voorts is de Raad van oordeel dat aan het rapport van Adriaens niet de waarde kan worden gehecht die appellante daaraan gehecht wenst te zien. Adriaens is bij haar advies volledig afgegaan op de door appellante aangeleverde stukken en heeft alleen appellante gehoord. Zij heeft niet de school om informatie verzocht. Bovendien is Adriaens in het geheel niet ingegaan op hetgeen Van Nispen in haar rapport heeft geconcludeerd. Van de zijde van appellante is naar het oordeel van de Raad derhalve onvoldoende onderbouwd waarom het rapport van Van Nispen niet juist zou zijn.
4.2. Ter zitting heeft appellante met name betoogd dat zij overeenkomstig het advies van de LBC had moeten worden benoemd in de LC-functie. De Raad is van oordeel dat het advies van de LBC onvoldoende aanleiding geeft voor dat standpunt. Het is de Raad niet gebleken dat de LBC op goede gronden tot dit advies is gekomen, temeer omdat het advies van de LBC tot benoeming in de LC-functie in tegenspraak is met de door de LBC vastgestelde onduidelijkheid over de feitelijke werkzaamheden van appellante. Nu het advies op dit punt onvoldoende is gemotiveerd, is de Stichting bij het nemen van het bestreden besluit daarvan niet ten onrechte afgeweken.
4.3. Voorts heeft appellante eerst ter zitting van de Raad naar voren gebracht dat de Stichting zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de mogelijkheid, zoals verwoord in een brief van 9 oktober 2006, dat naar aanleiding van het functieonderzoek voor appellante een persoonlijke functie zou kunnen worden gecreëerd. De Raad stelt vast dat appellante dit standpunt niet eerder in de procedure heeft ingenomen. Het geschil heeft zich steeds toegespitst op het standpunt van appellante dat zij niet had moeten worden benoemd in de LB-functie maar in de LC-functie, zodat ook de argumenten van partijen daarop gericht waren. De Raad gaat hieraan daarom verder voorbij.
4.4. Nu vaststaat dat de Stichting het rapport van Van Nispen aan het besluit van 3 april 2007 ten grondslag heeft mogen leggen, is de Raad van oordeel dat de rechtbank terecht de handhaving van de benoeming van appellante in de LB-functie heeft onderschreven.
4.5. Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en M.C. Bruning en T. van Peijpe als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2009.