ECLI:NL:CRVB:2009:BK8195
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek terugkomen van herziening arbeidsongeschiktheid per 1 maart 1995
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, ontving sinds 1986 een WAO-uitkering die in 1995 werd herzien naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Latere herzieningen brachten deze mate omhoog tot 80-100% per 29 mei 2005. Appellante verzocht het UWV om terug te komen op de herziening per 1 maart 1995, stellende dat een paniekstoornis die toen niet was onderkend, haar belastbaarheid destijds onjuist had doen vaststellen.
Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren zoals vereist onder artikel 4:6 Awb Pro. Medische rapporten toonden aan dat de paniekstoornis al bekend was, althans dat paniekaanvallen destijds waren vastgesteld, en dat de ernst van de beperkingen pas vanaf mei 2005 significant toenam.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens het ontbreken van een expliciete beslissing op het verzoek om terug te komen, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het standpunt van het UWV dat geen aanleiding bestond om terug te komen op de herziening per 1 maart 1995, omdat de gestelde nieuwe diagnose geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde.
De Raad concludeerde dat het UWV in redelijkheid het verzoek mocht afwijzen en verklaarde het beroep tegen het latere besluit van 19 februari 2009 ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek van appellante om terug te komen op de herziening van haar arbeidsongeschiktheid per 1 maart 1995 wordt afgewezen.