ECLI:NL:CRVB:2009:BK6969
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering wegens progressieve ziekte en verminderde arbeidsbelastbaarheid
Appellante is sinds 2001 arbeidsongeschikt wegens sarcoïdose, een progressieve neurologische ziekte. In 2002 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35-45%, gebaseerd op een Functionele MogelijkhedenLijst (FML) die haar werkcapaciteit beperkte tot gemiddeld 12 uur per week.
In 2005 stelde het UWV een nieuwe FML op met een hogere werkcapaciteit van 20 uur per week, wat leidde tot een verlaging van de uitkering naar 25-35%. Appellante betwistte deze herziening en stelde dat haar medische situatie verslechterd was.
De Raad liet een onafhankelijk medisch onderzoek uitvoeren door longarts prof. dr. P.E. Postmus, die concludeerde dat de ziekte progressief is en de belastbaarheid van appellante sinds 1997 gestaag is afgenomen. De Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat de lagere beperkingen uit 2005 niet verenigbaar zijn met de medische feiten.
Daarnaast werd vastgesteld dat de aangevallen uitspraak door een andere rechter was gedaan dan die de zaak behandelde, wat strijdig is met de goede procesorde. Daarom vernietigde de Raad het besluit van het UWV en het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en herroept het besluit van 3 augustus 2005.
Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd en herroepen wegens onjuiste inschatting van de arbeidsongeschiktheid.