ECLI:NL:CRVB:2009:BK6876

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6083 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenZiektewet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verdere Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag

Appellant, arbeidsongeschikt wegens rugklachten en met een gedeeltelijke WAO-uitkering, meldde zich ziek met nek-, schouder- en rechterarmklachten terwijl hij een WW-uitkering ontving. Na medisch onderzoek door een bedrijfsarts werd hij hersteld verklaard voor zijn werk als conciërge. Het UWV weigerde verdere Ziektewet-uitkering per 24 november 2006.

Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat ook psychische klachten aanwezig waren, ondersteund door informatie van zijn huisarts. De bezwaarverzekeringsarts handhaafde het besluit na herbeoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en appellant geschikt was voor zijn werkzaamheden.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp het beroep van appellant. De Raad oordeelde dat uit de medische informatie niet bleek dat op de relevante datum sprake was van psychische klachten en verwees naar eerdere jurisprudentie dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen niet van toepassing zijn bij Ziektewet-beoordelingen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van verdere Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag.

Uitspraak

07/6083 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 oktober 2007, kenmerk 07/668 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Osinga, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.
II. OVERWEGINGEN
1.1. In verband met zijn arbeidsongeschiktheid als gevolg van rugklachten ontvangt appellant sedert 1987 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellant is laatstelijk van 1 april 2002 tot 1 april 2004 werkzaam geweest als conciërge op een basisschool voor 20 uur per week. Nadien heeft hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.
1.2. Appellant heeft zich op 9 augustus 2006 ziek gemeld vanwege nek-, schouder- en rechterarmklachten vanuit een situatie dat hij een gedeeltelijke uitkering ingevolge de WW ontving en een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant het spreekuur bezocht van de bedrijfsarts C. Trippelvitz. Deze arts heeft appellant per 24 november 2006 hersteld verklaard voor zijn werk als conciërge. Bij besluit van 16 november 2006 heeft het Uwv per 24 november 2006 verdere uitkering van ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd.
1.3. Het tegen het besluit van 16 november 2006 gerichte bezwaar van appellant is na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts A. de Vries bij besluit van 9 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat zij geen aanleiding ziet het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig of onvolledig te achten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts op voldoende wijze inzichtelijk gemaakt dat appellant de werkzaamheden van conciërge kan verrichten.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Naar aanleiding daarvan merkt de Raad het volgende op. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij naast zijn lichamelijke klachten ook psychische klachten heeft en verwijst daarvoor naar de ingebrachte informatie van de huisarts H.W. Wybenga van 26 november 2007. Appellant is van mening dat de (bezwaar)verzekeringsarts ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar de psychische klachten. Naar het oordeel van de Raad kan uit de informatie van de huisarts niet worden afgeleid dat op de datum in geding, te weten 26 november 2006, sprake was van psychische klachten. Pas in november 2007 maakt de huisarts melding van symptomen van een depressie. De Raad verwijst in dit verband nog naar het in hoger beroep gegeven commentaar van de bezwaarverzekeringsarts De Vries, zoals vermeld in diens rapport van 15 januari 2008.
3.3. Ten aanzien van appellants grief dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij de beoordeling van de psychische klachten en de rugklachten geen gebruik hebben gemaakt van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 13 mei 2009, LJN BI3737, waarin de Raad heeft overwogen dat deze protocollen niet van toepassing zijn bij een ZW-beoordeling.
3.4. Uit hetgeen is overwogen onder 3.2 en 3.3 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.M. Tason Avila.
EK