Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6643

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/526 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.8 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-voltijdse inschrijving contractonderwijs

Appellante had studiefinanciering ontvangen voor het collegejaar 2007-2008 op grond van inschrijving aan de Radboud Universiteit Nijmegen. De IB-Groep herzag dit besluit omdat appellante slechts was ingeschreven voor contractonderwijs, dat niet gelijkgesteld wordt met een voltijdse bachelor- of masteropleiding zoals vereist in artikel 2.8 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het contractonderwijs niet voldeed aan de wettelijke inschrijvingsvereisten voor studiefinanciering. Appellante stelde hoger beroep in tegen het oordeel dat de hardheidsclausule uit artikel 11.5 Wsf 2000 niet van toepassing kon zijn.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en benadrukte dat de wetgever duidelijk heeft bepaald dat alleen voltijdse bachelor- of masteropleidingen recht geven op studiefinanciering. De omstandigheden van appellante, waaronder het met goed gevolg volgen van het contractonderwijs en hogere inschrijfkosten, rechtvaardigen geen afwijking van het formele inschrijvingsvereiste.

Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van studiefinanciering wegens niet-voltijdse inschrijving bevestigd.

Uitspraak

09/526 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 december 2008, 08/1306 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 14 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2009. Appellante is niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. P.E. Merema.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Aan appellante is met ingang van 1 oktober 2007 studiefinanciering toegekend in verband met de opleiding Nederlands Recht aan de Radboud Universiteit Nijmegen (RU).
1.2. Bij besluit van 10 juli 2008 heeft de IB-Groep, beslissend op bezwaar, haar besluiten van 7 juni 2008 en 27 juni 2008 waarbij over de periode van 1 oktober 2007 tot 1 juni 2008 het recht op studiefinanciering van appellante is herzien en vorderingen wegens teveel verstrekte studiefinanciering en onterecht OV-kaartbezit aan appellante zijn opgelegd gehandhaafd omdat zij in bovengenoemde periode niet stond ingeschreven als student voor het volgen van een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Appellante was voor het collegejaar 2007-2008 ingeschreven voor het volgen van cursussen via contractonderwijs aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de RU.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 10 juli 2008 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe is - kort samengevat - overwogen dat er geen wettelijke bepaling is die inhoudt dat contractonderwijs kan worden gelijkgesteld met een voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding zodat appellante vanaf 1 oktober 2007 gezien artikel 2.8 van de Wsf 2000 geen recht heeft op studiefinanciering, en het beroep van appellante op de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 vervatte hardheidsclausule niet kan slagen.
3. Het hoger beroep van appellante richt zich enkel tegen het oordeel van de rechtbank dat de IB-Groep in de bijzondere omstandigheden van dit geval geen aanleiding heeft behoeven te vinden om toepassing te geven aan de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, dat het beroep van appellante op de hardheidsclausule niet slaagt.
4.2. De Raad wijst erop dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is dat voor het volgen van onderwijs dat niet valt onder artikel 2.8 van de Wsf 2000 geen recht op studiefinanciering bestaat. Dit betekent dat noch de op zichzelf begrijpelijke keuze van appellante voor het volgen van contractonderwijs, noch de omstandigheden dat zij het eerste studiejaar van het contractonderwijs met goed resultaat heeft gevolgd en zij daarvoor meer inschrijfgeld heeft betaald dan het collegegeld voor een voltijdse opleiding bedraagt, er toe kunnen leiden dat onder toepassing van de hardheidsclausule wordt afgeweken van het formele inschrijvingsvereiste van artikel 2.8 van de Wsf 2000.
4.3. Het hoger beroep treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
4.4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2009.
(get.) J. Brand.
(get.) T.J. van der Torn.
TM