ECLI:NL:CRVB:2009:BK4846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering ondanks medische bezwaren
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 21 januari 2007 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank had het beroep van appellante gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand gelaten omdat de medische grondslag juist was, maar de arbeidskundige onderbouwing onvoldoende.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij meer beperkt was dan het UWV aannam, mede op basis van een brief van haar revalidatie-arts die stelde dat fulltime werken niet haalbaar was. De Raad oordeelde echter dat de rechtbank deze beroepsgronden afdoende had besproken en gemotiveerd waarom die niet slagen.
De aanvullende informatie van de revalidatie-arts tijdens de zitting bood geen nieuwe aanknopingspunten om te concluderen dat de beperkingen van appellante waren onderschat. Ook ontbrak het aan een medisch objectiveerbare aandoening waarop de arts haar oordeel baseerde. De Raad zag geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.
Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.