ECLI:NL:CRVB:2009:BK3085
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking ziekengeld wegens geschiktheid voor WAO-functies
Appellant, voormalig voltijds schoonmaker, werd arbeidsongeschikt verklaard vanwege schouder- en depressieve klachten en ontving een WAO-uitkering die per 22 februari 2006 werd ingetrokken omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Daarna ontving hij een WW-uitkering en meldde zich op 5 juli 2006 ziek met psychische klachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar trok deze per 2 april 2007 in nadat verzekeringsarts Bake oordeelde dat appellant niet langer ongeschikt was voor arbeid.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit ongegrond op basis van een rapport van bezwaarverzekeringsarts Admiraal. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn medische problemen niet volledig waren meegenomen, met name de bijwerkingen van medicatie en zijn behandeling bij een transcultureel GGZ-centrum. De Raad oordeelde echter dat er geen medische gronden waren om te twijfelen aan de eerdere beoordelingen en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing had geleverd.
De Raad bevestigde dat de maatstaf voor arbeid in dit geval de functies zijn die aan appellant in het kader van de WAO-beoordeling waren voorgehouden. Omdat het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering onherroepelijk vaststaat, kon de medische en arbeidskundige grondslag daarvan niet meer ter discussie worden gesteld. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 2 april 2007.