ECLI:NL:CRVB:2009:BK3058

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4369 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen per 26 oktober 2006. De rechtbank Breda verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medische en arbeidskundige onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd. De verzekeringsartsen hadden een volledig beeld van de gezondheidstoestand van appellante en motiveerden dat er geen sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid.

De arbeidsdeskundige had de geschiktheid van functies als inpakker en productiemedewerker voldoende toegelicht, waardoor de rechtbank overtuigd was van de passendheid van deze functies voor appellante. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, waaronder een urenbeperking tot 15 uur per week, maar kon dit niet met nieuwe medische gegevens onderbouwen.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er was geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen of de proceskosten te vergoeden. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 11 november 2009.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag voor volledige arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

08/4369 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 juli 2008, 07/3151 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.L. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken onder nummers 08/4511 en 08/4512, plaatsgevonden op 30 september 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn, met voorafgaande berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken ter afdoening gesplitst.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 27 oktober 2006 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij per 26 oktober 2006 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 22 juni 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen het onderzoek van de verzekeringsartsen naar de medische gesteldheid en belastbaarheid van appellante voldoende zorgvuldig te achten. Naar het oordeel van de rechtbank beschikten de verzekeringsartsen over een volledig beeld van de gezondheidstoestand van appellante op datum in geding, 26 oktober 2006, en waren zij voldoende op de hoogte van de door appellante gestelde klachten. De verzekeringsartsen hebben de door neuroloog J.P.L. van der Plas overgelegde medische informatie en de overige informatie in het dossier bestudeerd en naar het oordeel van de rechtbank voldoende meegewogen bij hun beoordeling met betrekking tot de belastbaarheid van appellante. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij voorts voldoende gemotiveerd dat er bij appellante op datum in geding geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden; evenmin was het de rechtbank gebleken dat de verzekeringsartsen onvoldoende beperkingen hebben aangenomen in de FML van 21 september 2006.
Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank vastgesteld dat de (bezwaar)arbeidsdeskundige bij de beoordeling van de passendheid van de functies alle signaleringen heeft toegelicht. Gelet op deze toelichting was de rechtbank ervan overtuigd dat de geselecteerde functies van inpakker, productiemedewerker industrie en productiemedewerker papier, karton en drukkerij voor appellant geschikt te achten zijn.
3.1. De Raad, oordelend over hetgeen namens appellante tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd, overweegt het volgende.
De gronden in beroep vormen een herhaling van de gronden die reeds in bezwaar en in eerste aanleg zijn aangevoerd. De Raad verenigt zich met het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan de door de rechtbank in 2.3 tot en met 2.5 ten grondslag gelegde overwegingen. De eerst in hoger beroep aangevoerde grond van appellante dat zij zich aangewezen acht op een urenbeperking tot maximaal 15 uur per week heeft appellante niet met nadere medische gegevens onderbouwd. Derhalve ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel dan de rechtbank te komen.
3.2. Uit hetgeen hiervoor onder 3.1 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) J.M. Tason Avila.
EK