ECLI:NL:CRVB:2009:BK1239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks medicatiebezwaren appellant
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te herzien van 80-100% naar 25-35% arbeidsongeschiktheid per 23 februari 2007. Hij stelde dat hij vanwege medicatiegebruik, met name Quetiapine, beperkingen ondervond in hand- en vingergebruik en fijne motoriek, waardoor hij de voorgestelde functies niet kon verrichten. Ook betwistte hij dat een naaimachine als niet gevaarlijk kon worden aangemerkt.
De rechtbank Middelburg oordeelde dat de medische informatie, inclusief die van de behandelend psychiater, onvoldoende aanleiding gaf om het oordeel van het UWV te verwerpen. De rechtbank vond dat de naaimachine een met de voet bediende machine met automatische invoer betreft en dus niet gevaarlijk is. Het beroep werd ongegrond verklaard.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het medicijn Quetiapine geen zodanige nadelige effecten op de fijne motoriek heeft dat de functies niet kunnen worden verricht. Ook werd meegewogen dat de dosisverhoging van het medicijn pas na de datum in geding plaatsvond en dat de dagbehandeling van appellant eveneens later begon. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid.