AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster tot juni 2002 en ontving daarna een WW-uitkering. Vanaf juni 2006 meldde zij zich ziek wegens psychische klachten en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend. Na onderzoek door verzekeringsarts Batelaan besloot het UWV dat zij vanaf 19 februari 2007 niet langer recht had op ziekengeld omdat zij niet meer arbeidsongeschikt was.
Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen op basis van een rapportage van bezwaarverzekeringsarts Coehoorn, die een psychodiagnostisch onderzoek liet verrichten. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat appellante geen aanvullende medische gegevens had overgelegd die een grotere beperking aannemelijk maakten.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt over ernstige psychische klachten, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en de bezwaarverzekeringsarts. De psychische problematiek werd als minder ernstig beoordeeld dan aanvankelijk aangenomen, met beperkingen die overeenkomen met eerdere rapportages. De Raad zag geen reden om het besluit van het UWV te vernietigen en wees het verzoek om schorsing af omdat voldoende gelegenheid was geweest om medische gegevens te overleggen.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellante wordt per 19 februari 2007 beëindigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.
Uitspraak
08/2579 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 25 maart 2008, 07/2396 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.F.M. Deijkers, advocaat te Enkhuizen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Deijkers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is laatstelijk van 3 september 2001 tot 3 juni 2002 werkzaam geweest als productiemedewerkster bij [naam werkgever] te [plaatsnaam]. Nadien heeft zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Vanuit die situatie heeft zij zich op 22 juni 2006 ziek gemeld wegens psychische klachten. Vervolgens heeft het Uwv aan appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. Na een onderzoek op 16 februari 2007 door de verzekeringsarts J.J.B. Batelaan, heeft deze namens het Uwv bij besluit van 16 februari 2007 aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 19 februari 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid. Bij besluit van 24 juli 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 februari 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn van 9 juli 2007, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om aan de juistheid van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts te twijfelen, waarbij in aanmerking wordt genomen dat de onderzoeksmethoden, argumentatie en bevindingen van deze artsen op deugdelijke wijze zijn vastgelegd in de rapportages van 16 februari 2007 en 9 juli 2007 en voorts dat appellante geen medische gegevens heeft overgelegd waaruit zou moeten worden opgemaakt dat zij meer beperkt is dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. Mitsdien heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden besloten appellante met ingang van 19 februari 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.
3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat zij door haar ernstige psychische klachten, waaronder gemengde angstige en depressieve stemmingen, niet in staat is productiewerkzaamheden te verrichten en dat haar behandelend arts van mening is dat zij hiervoor arbeidsongeschikt is.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van de gronden die zij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. De Raad verenigt zich met het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad volstaat dan ook met een verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Coehoorn waarin, onder verwijzing naar het op zijn verzoek verrichte psychodiagnostisch onderzoek door de gezondheidszorgpsycholoog J.H. Poelstra, is aangegeven dat de psychische problematiek bij appellante minder ernstig is dan eerder op grond van de informatie van de behandelend psycholoog werd aangenomen. Gebleken is dat bij appellante sprake is van een aanpassingsstoornis en dat zij hierdoor enkele beperkingen heeft, die in grote lijnen overeenkomen met de beperkingen die in 2001 reeds werden aangegeven. De gesignaleerde beperking van appellante voor ‘samenwerken’ wordt volgens de bezwaarverzekeringsarts in het eigen werk niet overschreden, omdat het daarbij gaat om een van te voren afgebakende deeltaak. De overige in de expertise genoemde aspecten komen volgens de bezwaarverzekeringsarts niet voor in het eigen werk van appellante, zodat zij geschikt is de achten voor haar arbeid. Gelet op de gedingstukken en op hetgeen door appellante is aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. Appellante heeft haar in hoger beroep herhaalde standpunt, ondanks een aankondiging dat zij zou trachten dit met medische informatie te ondersteunen, niet nader onderbouwd. Voor honorering van het namens appellante ter zitting gedane verzoek tot schorsing om alsnog in de gelegenheid te worden gesteld medische gegevens te overleggen, ziet de Raad geen aanleiding nu de gelegenheid hiertoe in de loop van de procedure ruimschoots aanwezig is geweest. Mitsdien is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellante met ingang van 19 februari 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Zw.
4.2. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.