ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8412
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering en medische arbeidsongeschiktheid bij transseksuele appellant
Appellante, die sinds 2001 arbeidsongeschikt is met psychische klachten en een transseksuele achtergrond, maakte bezwaar tegen verschillende herzieningen van haar WAO-uitkering. De rechtbank vernietigde een eerdere herziening wegens onvoldoende rekening houden met haar beperkingen en het ontbreken van een hoorzitting. Vervolgens werd opnieuw medisch en arbeidskundig onderzoek verricht, waarbij een psychiater en arbeidsdeskundigen betrokken waren.
De Raad overwoog dat de beperkingen van appellante, waaronder haar kwetsbaarheid voor afwijzende bejegening vanwege haar transseksualiteit, voldoende in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren verwerkt. De arbeidsdeskundige gaf aan dat de gevoeligheid voor machoculturen moeilijk meetbaar is en niet kon leiden tot aanpassing van de functieduiding. De Raad onderschreef de medische en arbeidskundige grondslagen van de bestreden besluiten.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 13 februari 2006 op 25 tot 35% moet worden vastgesteld. Het beroep van appellante tegen de herzieningen werd grotendeels verworpen, waarbij de Raad geen aanleiding zag voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Er werden geen proceskosten aan appellante opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt gedeeltelijk de herziening van de WAO-uitkering met een vaststelling van 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid per 13 februari 2006.