AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing aanvraag nabestaandenuitkering ANW wegens niet-verzekerd zijn echtgenoot
Appellante, woonachtig in Marokko, vroeg een nabestaandenuitkering aan op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) nadat haar echtgenoot in 2006 overleed. De echtgenoot woonde eveneens in Marokko en ontving een AOW-pensioen sinds 2004. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat de echtgenoot niet verzekerd was voor de ANW op het moment van overlijden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad overwoog dat de echtgenoot niet als verzekerd kon worden aangemerkt omdat hij niet in Nederland woonde of werkte en ook niet vrijwillig verzekerd was. Het ontvangen AOW-pensioen leidde niet tot verplichte verzekering voor de ANW.
Daarnaast stelde de Raad vast dat ook op grond van het sociale zekerheidsverdrag tussen Nederland en Marokko geen recht op een nabestaandenuitkering bestond, omdat de echtgenoot niet verzekerd was onder de Marokkaanse wetgeving. Appellante’s verzoek en argumenten konden het oordeel niet wijzigen, waardoor het hoger beroep werd afgewezen.
De Raad zag geen reden om appellante in de proceskosten te veroordelen en wees op de mogelijkheid tot cassatie bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de ANW-uitkering omdat de echtgenoot niet verzekerd was.
Uitspraak
08/5567 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 augustus 2008, 07/3880 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 17 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2009. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante woont in Marokko. Haar echtgenoot, geboren [in] 1939, was ten tijde van zijn overlijden [in] 2006 eveneens woonachtig in Marokko. De echtgenoot van appellante ontving vanaf juli 2004 een ouderdomspensioen en een toeslag ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).
1.2. Bij brief van 3 oktober 2006 heeft appellante een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd.
1.3. Bij besluit van 23 juli 2007 heeft de Svb de aanvraag afgewezen op de grond dat de echtgenoot van appellante op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW en appellante evenmin recht had op een nabestaandenuitkering op grond van internationale regelingen.
1.4. Bij besluit op bezwaar van 3 september 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het besluit van 23 juli 2007 gehandhaafd en het tegen dat besluit ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij een uitkering nodig heeft om haar gezin te onderhouden en dat zij bereid is voor haar echtgenoot postuum de premies voor de vrijwillige verzekering te voldoen.
4. Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen op de grond dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens de ANW.
4.1. Ingevolge artikel 13 vanPro de ANW is verzekerd krachtens die wet degene die ingezetene is of die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Nu de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden in Marokko woonde en niet meer werkzaam was in Nederland, was hij toen op grond van deze bepaling niet verzekerd.
4.2. Het sedert juli 2004 aan de echtgenoot van appellante toegekende AOW-pensioen kon niet tot verplichte verzekering voor de volksverzekeringen leiden, zodat de echtgenoot van appellante ook niet op grond van het hem toegekende AOW-pensioen als verzekerd ingevolge de ANW kon worden aangemerkt. Nu ook overigens niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden vrijwillig verzekerd was voor de ANW, is terecht geoordeeld dat appellante geen aanspraak heeft op een nabestaandenuitkering ingevolge die wet. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen.
4.3. Voorts stelt de Raad vast dat door appellante niet is betwist dat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens de Marokkaanse wetgeving, zodat ook op grond van artikel 13a van de ANW in combinatie met artikel 22 vanPro het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko geen aanspraak op een Nederlandse nabestaandenuitkering bestaat.
4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2009.
(get.) H.J. de Mooij.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.
NK
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
Statue:
Confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par H.J. de Mooij en présence du M.C.T.M. Sonderegger en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 17 septembre 2009.
Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas : Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.