ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- R. Kooper
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder. Na de aanhouding van R, een uitgeprocedeerde vreemdeling zonder verblijfsstatus, waarbij contant geld werd aangetroffen, stelde het College een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand.
Op basis van verklaringen van appellante en R concludeerde het College dat zij vanaf de geboorte van hun kind in 2000 een gezamenlijke huishouding voerden. Appellante had dit niet gemeld, waardoor zij haar inlichtingenverplichting schond. Het College trok de bijstand over de periode 28 november 2000 tot 2 april 2006 in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante onder meer aan dat R niet altijd bij haar woonde en dat het element van wederzijdse zorg ontbrak. De Raad oordeelde dat de feitelijke woonsituatie doorslaggevend is en dat het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding geldt bij een gezamenlijk kind. De overige beroepsgronden, zoals het belang van het kind en financiële draagkracht, waren onvoldoende om af te wijken van het beleid.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het feitelijk voeren van een gezamenlijke huishouding.