ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag WAO-uitkering wegens niet voldane wachttijd arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam bij een werkgever, werd op 6 februari 1997 aangehouden en veroordeeld tot langdurige gevangenisstraf en TBS wegens ernstige delicten gepleegd op 4 februari 1997. Hij vroeg met terugwerkende kracht een WAO-uitkering aan met ingang van 4 februari 1997, maar het UWV wees dit af omdat appellant niet voldeed aan de eis van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat uit de medische rapporten bleek dat appellant slechts korte periodes niet kon functioneren zoals voorheen en dat er geen onafgebroken periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid was. Appellant betoogde in hoger beroep dat hij wel arbeidsongeschikt was gedurende de periode van 5 februari 1997 tot en met 23 november 2001, onder meer vanwege ziekteverlof, opname in een TBS-kliniek, een suïcidepoging en psychiatrische problematiek.
De Raad overwoog dat hoewel appellant leed aan een ernstige persoonlijkheidsstoornis, de beschikbare gegevens onvoldoende aanwijzingen boden dat hij na 4 februari 1997 een onafgebroken periode van 52 weken arbeidsongeschikt was. Ook de opname in de TBS-kliniek had geen betrekking op arbeidsongeschiktheid maar op recidivepreventie. Het feit dat appellant ziekengeld ontving over bijna vijf jaar bleek niet uit de stukken en de Raad onderschreef de zelfstandige medische beoordeling van het UWV.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WAO-uitkering wordt bevestigd.