Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7386

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6941 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73a AwbArt. 8:75a AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV in arbeidsongeschiktheidsuitkering

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake haar WAO-uitkering. Tijdens de procedure nam het UWV een nieuw besluit op bezwaar waarbij appellante met ingang van 20 maart 2006 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt werd beschouwd, waarmee het beroep geheel werd ingewilligd.

Hierop trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering en tot vergoeding van de proceskosten. De Raad stelde vast dat het hoger beroep terecht was ingetrokken vanwege de tegemoetkoming van het UWV.

De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van de wettelijke rente conform eerdere jurisprudentie en tot vergoeding van de proceskosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, vastgesteld op €322. Declaraties van medisch adviseur en neuroloog werden niet vergoed omdat deze niet betrekking hadden op stukken die tijdens het hoger beroep waren ingediend.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

08/6941 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikelen 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2008, 06/3181 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Schermerhorn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft de gemachtigde van appellante bij brief van 11 maart 2009 gereageerd.
Het Uwv heeft op 30 maart 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen.
Bij brief van 10 april 2009 heeft mr. Schemerhorn, voornoemd, namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van de wettelijke rente.
Het Uwv heeft naar aanleiding van dit verzoek op 27 mei 2009 een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.
Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het hoger beroep is ingetrokken aangezien het nieuwe besluit op bezwaar van 30 maart 2009, dat inhoudt dat appellante ook met ingang van 20 maart 2006 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd, geheel aan het beroep van appellante is tegemoetgekomen.
De Raad wijst het verzoek van appellante toe om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellante verschuldigde wettelijke rente over die na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995, 314.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Aangezien voor de kosten gemaakt in de bezwaarfase en in eerste aanleg (inclusief het betaalde griffierecht) al tot vergoeding van de in die procedures gemaakte kosten was besloten staat de Raad enkel nog geplaatst voor de beoordeling van de in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De Raad overweegt voorts dat appellante geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de proceskostenveroordeling zoals deze door de rechtbank is uitgesproken zodat deze veroordeling geen onderdeel uitmaakt van de beoordeling in hoger beroep. Aangezien geen van de ingediende declaraties van de medisch adviseur en neuroloog zien op stukken die hangende het hoger beroep zijn ingediend, ziet de Raad geen aanleiding deze alsnog te vergoeden. De Raad verwijst hiervoor naar de overwegingen zoals opgenomen in de aangevallen uitspraak.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht in hoger beroep kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de renteschade als in rubriek II van deze uitspraak is aangegeven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2009.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) M.A. van Amerongen.
TM