ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met betrokkene
Appellant ontving sinds 1982 bijstand als alleenstaande. Het College beëindigde de bijstand per 1 maart 2006 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met betrokkene, wat werd vastgesteld via onderzoek van de sociale recherche. De rechtbank vernietigde het besluit van het College over het bezwaar van appellant wegens een onjuiste grondslag, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
Het College trok later de bijstand over een langere periode in en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen beide uitspraken en voerde aan dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Raad oordeelde dat op basis van objectieve criteria, zoals observaties, huisbezoek, persoonlijke zaken en getuigenverklaringen, sprake was van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg. Dit leidde tot de conclusie dat appellant voor de toepassing van de WWB als gehuwd moet worden beschouwd en geen recht had op bijstand als alleenstaande.
De Raad bevestigde uitspraak 1 en vernietigde uitspraak 2, waarbij het besluit van 6 november 2007 wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen in stand blijven. Het College werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.