ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging compensatoire aard vordering wegens overschrijding inkomensgrens studiefinanciering
Appellante was het niet eens met de door de rechtbank bevestigde beslissing van de IB-Groep om een vordering op te leggen wegens overschrijding van de inkomensgrens in 2004, waarbij de vordering als boete werd aangeduid. Zij stelde dat deze vordering een punitief karakter heeft en getoetst moet worden aan het evenredigheidsbeginsel. Tevens betwistte zij de aanvaardbaarheid van de coulanceregeling die de IB-Groep toepast bij te late meldingen van meerinkomen.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de vordering volgens vaste rechtspraak een compensatoire aard heeft, ter grootte van de kosten die de overheid heeft gemaakt voor de OV-studentenkaart of vervangende reisvoorziening. De Raad ziet geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om van dit oordeel af te wijken. Ook wijst de Raad op het feit dat een wetsontwerp tot wijziging van deze regeling nog niet tot wet is verheven en dat de rechter de innerlijke waarde van de wet niet mag toetsen.
Ten aanzien van de coulanceregeling oordeelt de Raad dat de IB-Groep onder omstandigheden te late aanvragen kan accepteren mits dit consequent gebeurt. De door appellante aangevoerde wijziging van deze regeling voor het jaar 2007 doet hieraan niet af, temeer daar appellante geen melding van haar meerinkomen heeft gedaan. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.