ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4431

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4325 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbAlgemene KinderbijslagwetWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit kinderbijslag met terugwerkende kracht wegens bijzondere omstandigheden

Appellant, die sinds december 1987 wegens ziekte niet meer in Nederland werkt en teruggekeerd is naar Marokko, vroeg om toekenning van kinderbijslag met terugwerkende kracht. Na een langdurige procedure werd hem in 2002 een WAO-uitkering toegekend met ingang van 14 december 1988. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende kinderbijslag toe vanaf het eerste kwartaal van 1998, wat appellant betwistte en verlenging tot 1994 kreeg toegewezen na bezwaar.

Appellant vorderde vervolgens kinderbijslag vanaf 1987, maar de rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond. In hoger beroep stelde de Raad vast dat appellant in een brief van 21 mei 1990 de Svb had geïnformeerd over een lopende WAO-procedure, wat als een eerste daad van veiligstellen geldt. Gezien recente uitspraken van de Raad van 16 april 2009, waarin werd geoordeeld dat bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven om af te wijken van het beleid van maximaal vijf jaar terugwerkende kracht, kon het bestreden besluit niet in stand blijven.

De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd bepaald dat de Svb het betaalde griffierecht aan appellant moet vergoeden.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Sociale verzekeringsbank moet een nieuwe beslissing nemen waarbij kinderbijslag met terugwerkende kracht vanaf 1990 wordt heroverwogen.

Uitspraak

08/4325 AKW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2008, 07/405 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 23 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2009. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg. De Raad heeft ter zitting het onderzoek geschorst.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 11 juni 2009. Appellant is daarbij opnieuw niet verschenen. De Svb heeft zich opnieuw laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft in december 1987 zijn werkzaamheden in Nederland wegens ziekte gestaakt. Vervolgens is hij teruggekeerd naar Marokko alwaar hij sindsdien woont. Op de aanvraag van appellant om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering is aanvankelijk afwijzend beslist, doch na een langdurige procedure heeft de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bij besluit van 18 juni 2002 met ingang van 14 december 1988 een uitkering krachtens - onder meer - de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Vervolgens heeft appellant bij brief van 27 juni 2002 aan de Svb verzocht om opnieuw kinderbijslag aan hem toe te kennen. Bij besluit van 2 oktober 2003 heeft de Svb met ingang van het eerste kwartaal van 1998 kinderbijslag krachtens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aan appellant toegekend.
1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat hij ook over de kwartalen vanaf 1987 kinderbijslag wenst te ontvangen. De Svb heeft uiteindelijk bij beslissing op bezwaar van 21 december 2006 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van appellant gegrond verklaard en met ingang van het eerste kwartaal van 1994 kinderbijslag toegekend aan appellant.
1.4. Appellant heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat hij ook over het tijdvak van 1987 tot 1994 aanspraak heeft op kinderbijslag. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
2.1. Ter zitting van de Raad is onder verwijzing naar recente uitspraken van de Raad van 16 april 2009 (onder meer LJN BI1498) door de Svb medegedeeld dat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd. In de hiervoor bedoelde uitspraken heeft de Raad, in soortgelijke gedingen als het onderhavige, overwogen dat voor zover een daad van veiligstellen heeft plaatsgevonden meer dan vijf jaar voor de definitieve aanvraag om kinderbijslag na de toekenning van de WAO-uitkering, sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat die de Svb aanleiding hadden moeten geven af te wijken van zijn beleid om met een maximale terugwerkende kracht van vijf jaar kinderbijslag toe te kennen. De Svb is van oordeel dat de brief van appellant van 21 mei 1990 aangemerkt moet worden als een eerste daad van veiligstellen als hiervoor bedoeld.
2.2. Ook de Raad is, gelet op de hiervoor bedoelde uitspraken van 16 april 2009, van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven nu appellant in zijn brief van 21 mei 1990 de Svb heeft geïnformeerd over een nog lopende procedure met betrekking tot zijn aanspraak op een WAO-uitkering. De Raad is niet gebleken dat appellant de Svb ter zake al eerder heeft geïnformeerd.
2.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Svb dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene. Daarbij merkt de Raad, wederom onder verwijzing naar voornoemde uitspraken en geheel ten overvloede, nog op dat een eventuele toekenning van kinderbijslag vanaf het kwartaal waarin de eerste daad van veiligstellen is verricht, ’s Raads toetsing zou kunnen doorstaan.
3. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde griffierecht ad € 145,-- dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. de Mooij en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2009.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) W. Altenaar.
DW