ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- H.G. Rottier
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herindicatie sociale werkvoorziening wegens onvoldoende beperkingen
Appellant, werkzaam als assistent beheerder van een gemeenschapshuis, kreeg in 2004 een indicatie voor de sociale werkvoorziening (Wsw). In 2006 vroeg hij een herindicatie aan, die door de raad van bestuur werd afgewezen omdat hij volgens hen passende arbeid kon verrichten met aanpassingen buiten de Wsw.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep onderzocht de Centrale Raad van Beroep de zaak opnieuw. Diverse rapporten van een bedrijfsarts, psycholoog en arbeidsdeskundigen werden beoordeeld. De bedrijfsarts constateerde fysieke beperkingen en een laag handelingstempo, maar geen psychische stoornissen die het werktempo beïnvloeden.
Arbeidsdeskundige M stelde een vertraagd werktempo vast met een werkprestatie van net meer dan 50%, wat volgens hem tot de Wsw-doelgroep behoorde. Arbeidsdeskundige H-W nuanceerde dit en concludeerde dat met technische en organisatorische aanpassingen passende arbeid mogelijk is in een normale arbeidsomgeving.
De Raad vond het onderzoek zorgvuldig en oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde om de conclusies te weerleggen. De Raad bevestigde het besluit van de raad van bestuur en de uitspraak van de rechtbank, en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat appellant niet langer tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening behoort.